Kort Verhaal – Tien Dagen Politici Plagen

Tien Dagen Politici Plagen is een kort verhaal waarmee thewritingwouter op 19 december 2020 de Tweede Prijs van de tweede editie van de Waterloper Verhalenwedstrijd behaalde. Voor dit verhaal maakte thewritingwouter gebruik van twee van de zes verplichte wedstrijdthema’s, te weten ‘de premier fietste door de motregen naar het Binnenhof’ en ‘de heksenkring maakte een einde aan het gezwam’. Omdat hij het zonde vindt als goede verhalen verloren gaan, besloot de auteur daarom dit verhaal met jullie te delen. Wil je weten wat thewritingwouter nog meer geschreven heeft? Kijk dan hier.

Tien Dagen Politici Plagen

Dag 1 – 17 mei

De premier fietste door de motregen naar het Binnenhof.

Nee, dacht hij, door een mottenregen.

Toen het eerste exemplaar de teil raakte die hij omgekeerd op zijn hoofd droeg, met een elastiek om zijn kin bevestigd, besefte hij dat de Sabbat haar inspanningen had verdubbeld: de mot die van zijn teil stuiterde en op de klinkers neerplofte, was vetter en vleziger dan welke mot de premier ook maar ooit in Nederland gezien had. De kikkers van gisteren waren tenminste van een normaal formaat geweest.

Als deze staking nog langer aanhoudt, dacht de premier somber, komen er over een paar dagen hagelstenen ter grootte van basketballen uit de lucht. Moeten we de daken verstevigen en met gepantserde voertuigen van gebouw naar gebouw, of riskeren dat zo’n neerstortend blok ijs onze hersenpan inslaat.

Van de andere kant… dan kunnen we die toverkollen tenminste voor doodslag aanklagen. Staking opgelost.

Die gedachte vrolijkte hem ietwat op. Terwijl hij zijn fiets door het splat splat splat van de mottenbarrage loodste, langs de Fontein van Graaf Willem II waar twee dagen eerder bloed uit spoot, ging hij in gedachten de leden van zijn kabinet langs, om te bepalen wie als martelaar de fatale hagelsteen tegen zijn hersenpan kon krijgen.

Rippers, misschien. Zijn we gelijk van dat hoofdpijndossier met het frauderend zorgbestuur af.

Hij fietste in de schaduw van de Ridderzaal en kwam even voor de Mauritspoort tot stilstand. Daar stond dhr. Tibbes, zijn persoonlijk assistent, al klaar met een paraplu. De motten ketsten er vrolijk op af, krioelden in hopen aan zijn voeten.

De premier stapte af en leunde zijn fiets tegen de gevel. Hij wilde niet eens weten hoe zijn banden eruitzagen. Voor het gekraak van brekende mottenlijven was hij Oost-Indisch doof geworden.

“Tibbes.” Hij knikte zijn assistent toe. “Zorg dat iemand van de technische dienst mijn fiets nakijkt. Ik wil vanavond niet ingeregend zitten omdat mijn ketting met mottenprut is vastgelopen.”

De premier nam de extra paraplu aan en overbrugde de laatste paar meters, voordat de toegang tot het Ministerie hem aan de insectoïdenbui beschutting bood. Hij draaide zich om, nam de geïmproviseerde helm van zijn hoofd en keer naar het monotoon roffelen van mot op straatsteen.

“En?” De stem van de premier klonk ietwat cynisch. “Welke rampen zijn er in de tussentijd gebeurd?”

Bij wijze van antwoord toverde Tibbes op zijn tablet een volgeschreven document tevoorschijn.

De premier trok een grimas. Dag drie van de staking. En nog een hele week te gaan. “Eerst koffie,” zei hij.

*

“Zoals u weet,” droeg Tibbes voor, toen de premier zich in zijn Torenkamertje met een dubbele espresso achter stapels papierwerk had ingegraven, “beperkt de Sabbat haar vergeldingsacties tot Den Haag, met concentratie op het Binnenhof en potentiële overloop van demonstraties tot in de rest van de stad. Daarover zijn burgers gewaarschuwd, en tot nu toe lijkt het gros van Nederland weinig last te hebben van de… ahem… ludieke acties.”

“Een ludieke actie is je lijflied in de top 2000 krijgen,” merkte de premier droogjes op, tussen het nippen aan zijn bittere espresso door. “Of een zebrapad de kleuren van de regenboog geven. Als je de kraan opendraait en er komt bloed uit, is ludiek niet het juiste woord.”

“En toch zien de meeste Nederlanders het wel zo. Activiteiten zonder echte schade. Op fractievoorzitter Haagsma na is er niemand gewond geraakt, en zelfs zij was snel genoeg de oude, zodra ze haar maag hadden leeggepompt.”

De premier kon een glimlach niet onderdrukken bij de herinnering aan de fractievoorzitter van de grootste oppositiepartij, die zo graag had willen bewijzen dat het ‘bloed’ gewoon water met een kleurstofje was.

“Oké, niemand is gewond. Nog niet. Maar we zitten pas op dag drie. Bloed, kikkers, motten. Wat als we straks veepest krijgen? Hagel? Zweren? Om van de dood van de pasgeborenen nog maar te zwijgen!”

Tibbes schudde zijn hoofd. “De Sabbat heeft de garantie gegeven geen doelbewuste schade aan mens of dier toe te brengen. De motten zijn constructen, zeggen ze. Binnen enkele uren zijn ze opgelost.”

In plasjes grijzig slijm zeker, net als de kikkers. Hoe hadden ze het genoemd? Hectoplasma?

“Bovendien zijn hun Tien Dagen Politici Plagen slechts losjes gebaseerd op de Tien Bijbelse Plagen. Ik denk dat ze motten in plaats van luizen hebben genomen omdat die zichtbaarder zijn. Visueel effect en zo.”

De premier dacht aan de mediabusjes die permanent op en rondom het Binnenhof stonden opgesteld, klaar om iedere magische scheet van de Sabbat te filmen en becommentariëren. Politiek Nederland ingetoverd… het was één grote virale grap geworden.

“En de burgers scharen zich nog steeds achter hen?” De premier snoof. “Achter hun eisenpakket?”

“Achtenveertig procent, volgens de laatste peilingen. Een kleine meerderheid ten opzichte van de tegenstanders. Zeven procent heeft geen mening.”

“Dan moeten we die voor ons zien te winnen. Door te laten zien dat we de Heksen met niets dan eerlijkheid behandeld hebben. En in de tussentijd houden we vol. Tien Dagen. Daar hebben die toverkollen – excusez le mot – niet goed over na gedacht. Als je jezelf een deadline geeft, en de tegenpartij buigt na de tiende dag niet mee, dan ben je uitgespeeld!”

Tibbes haalde zijn schouders op. “Of ze verzinnen iets nieuws?”

“Laat ze. Als wij voet bij stuk houden, verspillen ze hun energie. En als ze een keer te ver gaan, en er gewonden vallen – God verhoede het – dan spelen wij de slachtofferkaart, en verliezen zij al die steun die ze hebben opgebouwd.”

“Uitstekend.” Tibbes knikte, maar uit zijn stem klonk weinig overtuiging. “Evengoed staat het debat over de kwestie op de planning voor morgen. De coalitiegenoten komen vanmiddag langs om de belangrijkste pijnpunten door te spreken.”

En om, in ruil voor hun steun tegen de oppositie, hun eigen conservatieve gedachtegoed er doorheen te komen drukken. De premier zuchtte en wreef over zijn slapen. “Is er kans dat ik jou in mijn plaats hier neer kan zetten?”

Tibbes glimlach was even wrang als de afgekoelde espresso. Buiten hield de regen aan, mot na mot, en maakte een groep heksen Den Haag tot mikpunt van spot.

Waarom, vroeg de premier zich af, hebben we hekserij ooit gelegaliseerd?

Dag 2 – 18 mei

“We zullen niet stoppen! We zullen niet opgeven! De Sabbat strijdt voor de grondrechten van iedere werker van de Kunst, hoe groot of klein zijn of haar vaardigheid ook. Grondrechten die iedere Nederlandse burger als vanzelfsprekendheid zou mogen aannemen! Wij pleiten voor afschaffing van de controles! Onschuldig tot het tegendeel bewezen is, niet tot de wierooklucht in je woning is aangetroffen! Toverstokken zijn geen geweren, bezems geen verboden voertuigen! En als heks geboren worden, dat is een zegen, geen misdrijf. Zeg nee tegen de Voynich-test!”

De leuzen schalden het Hofplein over, versterkt door de met mirte omwonden megafoon die Desiré Welmoed, hoofd van de Sabbat, tegen haar volle lippen hield. Ze demonstreerde al drie uur lang, geheel op eigen wijze, zwevend op haar bezem drie, vier meter boven het plaveisel. Haar lange, goudblonde haren wapperden in de wind en op haar knappe gezicht – geen karbonkel of pukkel te bekennen, een totale ontkenning van het cliché – stond een permanente strijdlustige lach.

Onder en rondom haar stond haar Cirkel: een kring van mannen en vrouwen van alle leeftijden en etniciteiten die met de handen ineengeslagen en met de ogen dicht de energie verzamelde die Desiré nodig had om airborne te blijven.

Ze mocht een goede spreker zijn, in de mentale krachtpatserij die nodig was om op de plek te blijven zweven was Desiré altijd al hopeloos geweest.

Een nevendoel van de Cirkel was voorkomen dat iemand op het jolig idee kwam om direct onder de demonstrerende heks te gaan staan en te kijken waar de bekendste tovenares van Nederland haar lingerie vandaan haalde.

“Gelijke wetten! Gelijke rechten! Een einde aan vier eeuwen argwaan, en de nasleep van een bekrompen Inquisitie-cultuur!”

Vanaf de rand van het plein keek een klein clubje politici toe. Ze waren uit een soort morbide nieuwsgierigheid komen kijken naar de vrouw die een einde leek te toveren aan hun carrières. Ze hadden wellicht gehoopt onopgemerkt te blijven in hun toeschouwen van de rally, maar werden daarin tegengewerkt door de rode bulten – uitermate jeukend – die hun handen en gezichten bedekten. Slechts door constant krabben kon verlichting bereikt worden, en het duurde niet lang voordat Desiré de Kamerleden in de gaten kreeg.

“Daar staan ze!” riep ze, een ranke hand naar de vijf mannen en twee vrouwen uitstrekkend. “De lafaards die de motie voor de verplichte Voynich-test erdoorheen proberen te duwen! De huichelaars die er niet voor terugdeinzen bij iedere crisis – economisch, politiek of medisch – op onze expertise terug te vallen, en vervolgens, als de crisis met ónze hulp bedwongen is, ons weer in het verdomhokje willen persen! De bulten die ze nu dragen, zijn slechts uitingen van hun eigen geteisterd geweten!”

De Kamerleden waren snel afgedropen onder het aanhoudend gejoel van de om de heksen verzamelde menigte. Als ratten die op de kade geen soelaas vonden en terug een zinkend schip op werden gejend.

Het duurde tot diep in de nacht voordat het jeuken van de plaag steekvliegen afnam.

Dag 3 – 19 mei

“Orde! Ik vraag om orde in de Kamer!”

De Kamervoorzitter hamerde er lustig op los, maar haar stem droeg niet luid genoeg om boven het gekakel, geklok, gekir en gesnater uit te komen van de kippen, kalkoenen, kwartels en ganzen die de vloer van de Kamer onder hun pluimage aan het zicht onttrokken. Soms leek er een kleine luwte in de kakofonie te ontstaan en dook de spreker van het moment gretig op zijn of haar microfoon af, maar dan ontstond er plots een massale migratie en klapwiekte een horde kippen – geheel partijoverstijgend – van de ene naar de andere kant van de Kamer.

“Orde! Ik vraag de heer Breskens om het volume van zijn microfoon hoger te zetten en zijn bezwaren opnieuw kenbaar te maken!”

“Voorzitter…” De heer Breskens morde aan zijn microfoon, probeerde het nogmaals. “Voorzitter, ik wil de Kamer er graag van verwittigen dat de Voynich-test-”

Wat hij toen wilde zeggen ging verloren onder het bombastisch duel tussen pauw en parelhoen die voor de microfoon langs fladderden en de fractievoorzitter onder een fijne sneeuwlaag van veer en dons achterlieten.

“Dat is de druppel!” riep de voorzitter. “Vergadering opgeschort!”

“Wat?” riepen grofweg zeventig Kamerleden in koor.

“VERGADERING OPGESCHORT!”

*

Die avond liet de premier zich vermoeid in zijn bureaustoel zakken. Het liefst zou hij naar huis zijn gegaan om de geur van kippenstront van zijn lijf te wassen, maar het werk riep. Bovendien had wassen weinig nut: het zou nog maanden kunnen duren voordat de indringende lucht van een kleine tienduizend gestreste kippen en ander kleinvee geheel en al uit de gebouwen om het Binnenhof verdwenen zouden zijn: voor magische constructen liet hun gezamenlijke geschijt een uiterst realistische stank achter.

“Dat…” zuchtte de premier, “was de op één na vreemdste Kamerzitting die ik ooit heb meegemaakt.”

Tibbes, tegenover hem aan het bureau aangeschoven, trok een wenkbrauw op. “Op één na?”

“18 oktober 2013. Iets voor jouw tijd in Den Haag, geloof ik. De toenmalige premier was dronken, begon te zingen. Een nummer uit West Side Story, als ik me niet vergis.” De glimlach aan de herinnering maakte plaats voor een bedenkelijke frons. “Wordt dit de tactiek van de Sabbat? Ons er fysiek van weerhouden om tot stemming over de motie te komen?”

Tibbes haalde zijn schouder op. “U moet toegeven dat dit een uitermate onorthodoxe maar evenzo effectieve variant van de filibuster was. En een goede speling op de plaag ‘Veepest’. Maar nee, ik zie niet hoe mevrouw Welmoed en haar schare de Kamer met de plagen ‘hagel’ of ‘zweren’ kunnen tegenhouden. Bovendien is ze op een gegeven ogenblik door haar plagen heen, en dan kan de stemming alsnog plaatsvinden. Dit is allemaal bedoeld om de steun van het volk te winnen, precies zoals u zei. Ze hoopt dat uw kabinet gaat zwichten voor de druk vanuit de samenleving. En de motie tegen wordt gehouden.”

“En dan riskeren we dat iedere burger met een greintje magisch talent en geen begeleiding een situatie zoals in Dordrecht kan veroorzaken.”

Een clusterfuck, aldus de minister van Justitie en Veiligheid. Een jongen met sluimerend magisch talent wordt door klasgenoten opgezweept tot het stelen van een blikje energy drink, wordt betrapt, en zet het op een lopen. Een medewerker van het filiaal zet de achtervolging in en even lijkt het erop dat de jongen wordt ingerekend, eind goed al goed, als ineens de vloer in een ijsbaan verandert en grofweg vijfendertig winkelende omstanders tegen de vlakte glibberen. Zo ook de jongen in kwestie, die in paniek de snel uitkristalliserende ijspegels van zijn handen probeert te schudden.

Twee daarvan schieten als kogels uit een luchtbuks weg en slaan dwars door een elektriciteitskast heen. De vrijgekomen kabels elektrocuteren iedereen die op de ijsbaan staat, ligt of iets daar tussenin. Het ijs smelt en het smeltwater verdampt binnen luttele seconden, zodra de ontluikende tovenaar buiten bewustzijn raakt, maar het kwaad is al geschied.

Resultaat: zeventien mensen met eerste- of tweedegraads brandwonden. Zes gebroken ribben en twee verstuikte enkels van valpartijen, en één tweeënzeventigjarige man die het incident met een hartaanval en een vroegtijdige dood moet bekopen.

Natuurlijk werd het voorval door de media enorm uitvergroot. Dat was het begin van de discussie over het registreren van heksen, en ook het preventief opsporen van jongeren met magisch talent. Door de Voynich-test kon zelfs bij geboorte al vastgesteld worden wie die aanleg had. Een zegen van een uitvinding, vonden de premier en de leden van zijn kabinet.

“Er heerst nog steeds enorme sympathie voor heksen onder het volk,” herinnerde Tibbes zijn werkgever. “De dankbaarheid voor hun steun tijdens en na de oorlog zit diep in onze cultuur ingeworteld. Als zij toen niet uit de schaduw waren getreden-”

“Waren we tien procent van onze bevolking kwijtgeraakt aan het Duits regime.” De premier knikte. “En nog eens veertig procent aan de hongerwinter die volgde. Ik ken de geschiedenis, Tibbes.”

Hij keek naar de papieren die op zijn bureau lagen verzameld, in ordelijke stapels: memo’s van de ministeries, rapporten vanuit de onderzoeksinstellingen, notulen van de overlegrondes die binnen het kabinet en de Kamer al waren gevoerd. Doorvoering van de Voynich-test nam nu al ruim een jaar in beslag, en hoe meer tegengas er kwam vanuit de magische samenleving, hoe meer het Nederlands volk aanhaakte bij de bedenkingen.

“Het raakt een snaar,” zei Tibbes. “Registratie heeft een nare bijsmaak, gezien tegen het licht van juist die oorlog waarin de Sabbat uit de schaduw trad en het verzet vormgaf. Mensen hebben het idee dat tussen registratie en isolatie maar weinig hoeft te gebeuren.”

De premier schoof bruusk de papieren opzij. “Je zou denken dat dit land niks anders meemaakt dan een stel opstandige heksen! De energiecrisis, het klimaat, de woningnood, genoeg aan ons hoofd!”

“Maar de Voynich-”

“Nee, Tibbes. Morgen staat er weer overleg met de coalitiepartners op het programma, en we kijken dan wel hoe we de Sabbat het hoofd gaan bieden. Tot die tijd doe ik lekker escapistisch en verdiep ik me in dossiers die al veel te lang ondergesneeuwd zijn.”

De premier zette zijn leesbril op, en dat was dat.

Morgen was er weer een dag.

Dag 4 – 20 mei

Twee mannen en één vrouw zaten tegenover de premier te draaien in hun stoel. De jeukende zweren die hun lichaam bedekten en stilzitten ondragelijk maakten, waren daar echter maar één van de redenen voor.

De tweede lag politiek gevoelig.

“Niet krabben,” zei de premier, kaken op elkaar geklemd. “Het zijn geen echte zweren, maar een illusie. Morgen zijn ze verdwenen. Krabben verlicht de jeuk niet maar het haalt wel je huid open.”

“Bomt me niks.” De fractievoorzitter van de kleinste en meest rechter partij van de coalitie vertoonde als altijd een totaal gebrek aan eloquentie. “Als ik m’n huid kapot krab, heb ik tenminste het idee dat ik iets dóé. Bovendien hoef ik dan die lelijke zweren niet meer te zien.”

De vrouw naast hem, eveneens getroffen door de zweren, snoof. “Hé, jij hebt nog het geluk dat je een man bent. Als ik zo in het openbaar verschijn, kan ik me net zo goed bij die toverkollen zelf aansluiten.”

“Die Desiré kun je moeilijk een kol noemen,” wierp haar buurman tegen. “Jammer dat ze zo verknocht is aan die bezemsteel van haar, anders zou ik haar eens mijn-”

“Ahem!” De man aan haar andere kant nam bruusk het woord over, met een veelbetekenende blik richting de Rotterdammer aan het ander uiteinde van de rij coalitiegenoten. “Misschien is ter zake komen de beste afleiding.”

“Dankjewel, Rutger.” De premier knikte hem dankbaar toe. “Dame en heren, ik snap jullie posities, en wil jullie bedanken voor jullie blijvende steun voor doorvoering van de Voynich-test. Momenteel steunt een krappe meerderheid van het volk de heksenbelangen, terwijl een klein deel van het volk geen mening heeft. Aan ons de taak de weifelaars aan onze kant te krijgen, de steun voor de Sabbat te eroderen en zodoende een draagvlak voor deze test te krijgen. Wie heeft een suggestie voor onze aanpak?”

Stilte. Blikken die zijlings elkaar raakten. Nog meer geschuifel op het luxe leer.

“Oké,” zei de premier, “Blijkbaar is er iets dat jullie willen zeggen. Voor de draad ermee.”

“Het is niets persoonlijks,” zei Rutger, leider van de op één na grootste partij binnen de coalitie, goed voor zo’n vijfentwintig zetels. “Maar we moeten onze handen hier vanaf trekken.”

“De Voynich-test ligt te gevoelig,” voegde de vrouw naast hem toe. “Als we hierin niet luisteren naar de wil van het volk, kost dat ons kiezers.”

De premier schudde zijn hoofd. “Iedere impopulaire beslissing kan kiezers kosten, maar we hebben nog een jaar om de publieke opinie hierover naderhand bij te sturen. Een nipte meerderheid is voor nu voldoende, en ik weet zeker dat we die kunnen behalen. De vraag is: hoe?”

Geen respons.

“Ach, kom!” De premier sloeg met vlakke hand op zijn bureau. “Jullie gaan me niet vertellen dat jullie de handdoek in de ring willen gooien! Gaat dit om jullie eigen partijpunten? Prima! Vertel me wat jullie willen, en er valt iets te regelen. Meer geld naar defensie? Strengere eisen voor immigratie? Alles is bespreekbaar.”

Wederom was het Rutger die het woord nam. “We hebben dit onderling besproken, meneer de premier. Nogmaals: het is niets persoonlijks. Maar het is beter voor onze partijen als we inbinden. We zullen tegen invoering van de Voynich-test stemmen.”

De premier knipperde met zijn ogen. “Maar… het gezichtsverlies…” stamelde hij. “Beseffen jullie wel wat dat betekent, als we onder druk van de Sabbat inbinden? In dit stadium?”

“Wij zijn ervan overtuigd dat de schade erger zal zijn als we nu een test legitimeren waar het volk niet achterstaat. Door te laten zien dat we de mening van het volk serieus nemen, behouden we steun voor onze partijen,” – Rutger keek nu wat ongemakkelijk – “zij het misschien niet onze coalitie.”

In de stilte die volgde waren zelfs de jeukende zweren vergeten.

“Ik begrijp het,” zei de premier tenslotte. Zijn stem klonk ijzig. “Jullie offeren mijn partij op. Jullie offeren mij op.”

“We hopen alleen jou,” zei Rutger. “Hoewel ook dat ons pijn doet. Je hebt nog tijd om dingen intern in gang te zetten, te laten blijken dat de brede basis van de partij, misschien zelfs van je kabinet, niet achter je staat. Dan was dit slechts het plan van een al te ambitieuze premier.”

“Een kamikaze, bedoel je,” sneerde de premier. “Jullie denken dat mijn positie niet meer te redden valt.”

En ze hadden gelijk, besefte de premier. Als de steun vanuit de coalitie nu wegviel, sloeg hij zelf sowieso een modderfiguur. Hij had zich in de afgelopen maanden te hard gemaakt voor dit speerpunt. Wellicht zou hij de verkiezingen niet eens halen…

“Ik herhaal,” zei Rutger, “niets persoonlijks.”

De twee mannen en een vrouw stonden op, alsof op een afgesproken teken. Ze keken de premier niet aan op weg naar de deur.

“Wacht.” De premier kwam overeind. Rutger stond al in de deuropening en keek, net als de twee anderen, achterom, één wenkbrauw vragend opgetrokken.

“Gesteld dat de publieke opinie omslaat-” begon de premier.

“Dat gebeurt niet,” zei Rutger.

“Gesteld dat! Kan ik dan op jullie steun rekenen?”

De drie wisselden een blik uit.

“De wonderen zijn de wereld nog niet uit,” zei de Rotterdammer.

*

“Stel achterbakse, draaikonterige, niksdurvende, windvaansimulerende slapjanussen!”

U vergeet ‘hypocriete’,” vulde Tibbes aan.

De premier had zijn ochtend vrijgemaakt voor spoedberaad met zijn kabinet. De ministers bleken bijzonder weinig behulpzaam, zodra de premier aan hen de ligging van het politiek landschap had uitgelegd. Wellicht roken ze de brand aan boord en zochten ze alvast een veilig onderkomen voor zichzelf.

En dus was de premier geen stap verder, en terwijl de zon hard op het Binnenhof scheen, vond hij in secretaris Tibbes nog een laatste persoon waar hij mee kon sparren.

“We moeten de sympathie voor die heksen breken,” besloot de premier, alsof dat een geheel nieuwe en een geheel eigen gedachte was, in plaats van het vraagstuk waar zijn kabinet al tijden mee worstelde. “Hen uit de dubbele helden- en slachtofferrol halen. Maar hoe?”

Tibbes schraapte zijn keel, en de premier keek hem aan. “Wellicht,” glimlachte de slanke man, “heb ik een suggestie.”

*

De ontmoeting was clandestien, voor zover een ontmoeting met een premier clandestien kan zijn. Tibbes had alles verzorgd: de krappe ruimte die diep in het Ministerie van Algemene Zaken lag, haast weggemoffeld, de aparte aanlooproutes tot die ruimte die door de premier, de gesprekspartner en Tibbes zelf genomen moesten worden, een alibi voor de premier door een meeting met twee kabinetsleden in te roosteren en vooraf opgestelde notulen van die meeting te fabriceren; niks werd aan het toeval overgelaten.

Zodat de premier die avond in een krap zolderkamertje onder het licht van een paar oude peertjes een huurling kon spreken.

De man leek meer op een lid van een motorbende, of een fanatiek lid van een buurtwacht, dan op een heks: lang, knokig, strengen grijs in zijn zwarte baard, met zwarte kisten in maat 45 en een donkergroen camouflagejasje over een T-shirt van een metalband.

“Dus je wilt de Sabbat vernielen?”

Geen ‘u’ van deze man, die zichzelf simpelweg de Huurheks noemde. Hij had de premier slechts toegeknikt bij binnenkomst, had een stoel verordonneerd en was aangeschoven aan het oude bureau, waarbij hij achterover leunde en de ruimte om zich heen met afkeurende blik in zich opnam.

De premier trok een grimas. “Vernielen is een groot woord. Zeg liever, ‘ontwrichten’, ‘uit balans halen’.”

“Het gaat erom dat ze hun steun bij het volk verliezen,” vulde Tibbes aan. “Niets meer, niets minder.”

“Dat is aanzienlijke steun.” De Huurheks krabde aan zijn kin. “En dat vraagt om aanzienlijke maatregelen. Hadden jullie iets in gedachten?”

De premier en zijn secretaris wisselden een blik uit. “We hebben nog een paar dagen,” zei de premier, “om de stemming van het volk te kantelen. Daarna ligt de motie Voynich op tafel, en als die er niet doorkomt, kan ik het bij de verkiezingen wel schudden. In die paar dagen blijft de Sabbat haar rituelen op ons afvuren. Daarbij blijven ze vooralsnog binnen de grenzen van het behoorlijke: ze vernederen ons zonder daadwerkelijke schade aan te richten. Daar… ahem… daar moet iets aan veranderen.”

“Jullie willen dat er slachtoffers vallen?”

“Niet dodelijk!” zei de premier meteen. “Verwondingen. Lichte, maar met de indruk dat het erger had kunnen aflopen.”

“Het moet duidelijk zijn dat de Sabbat onverantwoordelijk en nalatig is,” verduidelijkte Tibbes, “of dat ze haar leden niet onder controle heeft.”

De Huurheks tskte. “Lastig. Jullie hebben het over inmenging in rituelen. Ik heb een ingang om binnen te komen, dat is niet het punt. Maar als ik trek aan de gecontroleerde werking van het ritueel, is de uitkomst onzeker. Een precisieaanval kan ik niet garanderen. Doe ik te weinig, dan is er kans dat er helemaal niets gebeurt. Teveel, en die lichte wonden kunnen zware worden. Of erger nog. Zijn jullie bereid dat risico te nemen?”

De premier was een lange tijd stil. Hij sloot zijn ogen toen hij antwoordde: “Wat er maar nodig is.”

De Huurheks grijnsde. “En zo zal geschieden. De heer Tibbes heeft mijn bankgegevens. Helft van de betaling vooraf, helft na afloop. En ik hoef jullie vast niet te vertellen om een tussenpersoon te gebruiken voor de transactie?

Dag 5 – 21 mei

Al vroeg in de ochtend leek het Binnenhof belegerd: bij de Stadhouderspoort en de Spuipoort, de Nieuwspoort en de Mauritspoort verdrongen de nieuwslezers, cameramannen en journalisten zich om een blik op te vangen van de zevende en vooralsnog spectaculairste plaag die de Sabbat voor politiek Den Haag in petto had.

Op het Hofplein zelf stond Desiré Welmoed met haar perfecte huid, zwoele lippen en lichtblauwe ogen een bataljon reporters te woord. “Ik kan u verzekeren dat we alles op alles zetten om de regering ook vandaag weer te overtuigen van onze daadkracht,” zei ze. “De Sabbat heeft tot diep in de nacht doorgewerkt om de laatste puntjes op de ‘i’ van dit ritueel te zetten. En zoals u ziet,” ze wuifde naar de donderwolken die zich boven haar hoofd, boven het Binnenhof, samenpakten, “geven de weergoden graag gehoor aan onze bede. Ik hoop dat u een paraplu bij zich heeft?”

Welwillend gelach. Eén van de journalisten greep in de luwte van haar woorden zijn kans om te vragen: “Hoe zit het met de veiligheid? We zijn in Nederland flinke hagelstormen gewend, maar die zijn nooit ongevaarlijk. Als dit werkelijk een spectaculaire hagelbui wordt, hoe garandeert u dan dat er geen materiële schade is? Of schade aan personen?”

Desiré gaf slechts haar prijswinnende glimlach als antwoord. “Geduld,” zei ze. “Alles wordt vanzelf duidelijk.”

*

Hemelsbreed een kleine honderdvijftig meter verderop keken twee mannen toe. Zelfs vanaf de tweede verdieping van het Ministerie van Algemene Zaken, met een blikveld dat beperkt werd door de kolossale aanwezigheid van de Ridderzaal, konden de premier en zijn secretaris Tibbes zien hoe mannen en vrouwen van de Sabbat op strategische plekken stelling hadden genomen, op en rondom het Binnenhof. Ze opereerden in paren: één heks met de handen geheven, de ogen omhoog, een tweede met een brede paraplu die bescherming bood en erop toezag dat de dienstdoende heks niet lastig gevallen werd.

“Zie je onze man ergens?”

Tibbes schudde zijn hoofd. “Als hij slim is, laat hij zich niet zien. Ik denk dat hij vanuit een verdekte positie het ritueel zal beïnvloeden.”

“Het zint me niks.” De premier knarste met zijn tanden. “Weet je zeker dat alle burgers weg zijn? Alle ramptoeristen?”

“Het Binnenhof is afgesloten voor publiek, net als de rest van deze week. Wie hier nu nog is, werkt hier of werkt ons tegen. Iedereen hier kent de risico’s.”

Het risico om getroffen te worden door een ludieke actie, en met zweren voor lul te lopen, dacht de premier. Niet om martelaar te worden van een politieke vete…

“Het zint me niks,” herhaalde hij.

“Wilt u het afblazen?” Tibbes trok één wenkbrauw vragend op. “We hebben het noodnummer. Er is nog tijd, als u-”

“Nee.” De premier zag bleek, maar zijn stem was resoluut. “De beslissing is genomen.”

Tibbes knikte. Hij richtte zijn blik weer op het raam en de storm die daarachter tot uitbarsting kwam.

*

“Asfolom, Asfolom,” mompelde één van de heksen in de grote dubbele cirkel die de Sabbat op en rondom het Binnenhof had uitgezet. “Mefetoth. Asfolom!”

Woorden van Kracht, zonder enige betekenis voor buitenstaanders, gekozen door de heks in kwestie en voorzien van zijn of haar wil om de werking van de natuur om te buigen, vorm te geven. Op tweemaal dertien plekken werden zulke woorden gesproken, en in de samenzang van zesentwintig heksen werd de donderwolk gestuurd, gemanipuleerd, gemolken.

En toen begon de hagel.

Eerst voorzichtig, met individuele tikken, haast te zacht om echt hagel te mogen heten, zwol het geroffel snel aan. Vanachter de bescherming van dubbel glas keken ze toe, de ministers, Kamerleden, commissarissen, financieel en administratief medewerkers en talloze anderen die het reilen en zeilen van het politiek hart van Nederland mogelijk maakten. Ze keken toe en zagen hoe het zachtjes tikken toenam tot een stortvloed aan…

“Zwarte hagel?” De premier drukte zijn bril zowat tegen het glas, om beter te kunnen zien wat voor substantie de klinkers van het plein bedekte.

Een ietwat gezette man liep onder de beschutting van de toegang tot de Hofkapel uit, stak zijn vinger in de zwarte hagel en bevestigde het vermoeden van een kleine duizend politici. “Hagelslag.” Hij stak de vinger in zijn mond. “Puur. Lekker.”

De hagelslag was echter groter dan normaal, groter zelfs dan de XL hagelslag die in supermarkten verkrijgbaar was: stukken zo lang en breed als een wijsvinger, die hoog in de atmosfeer bevroren uit de wolken getoverd werden en vervolgens snel opwarmend en smeltend op de straatstenen neerkwamen.

Om daar een dikke laag pasta te vormen.

“Fijn,” mompelde de premier. “Dat wordt laarzen aandoen als we naar huis moeten.”

Toen besefte hij dat het ergste nog moest komen. Hij draaide weg van het raam, misselijk.

*

“Nereniëntolë,” bromde een zware stem. De eigenaar ervan stond opgesteld hoog in de Perstoren, en had perfect zicht op een deel van het Binnenhof, en de paar medewerkers die langs de gevel van het gebouw van de Eerste Kamer naar buiten waren gegaan om chocola in trommels te scheppen.

“Nereniëntolë.” Zijn stem voegde zich bij die van zesentwintig anderen, drong de cirkel binnen. Hij tornde aan de beheersing van zesentwintig anderen, bruusk, en trok méér en méér uit het wolkendek. “Ninianessa Nereniëntolë!”

In de cirkel voelden de heksen van de Sabbat dat het misging: de zorgvuldig opgewekte en even zorgvuldig ingedamde thermale stromen werden uit hun verband gerukt, zodat kou op kou botste in het kunstmatig gecreëerde lagedrukgebied. Snel probeerden ze de controle te herstellen, maar ze voelden de wil van één man – olieachtig, ongrijpbaar – die hun tegenwerkte. En konden niet voorkomen dat een paar kilo kunstmatig brokstuk aan hun handen ontglipte.

“Hebbes,” glimlachte de man. Hij liep weg van zijn schuilplek zonder de ijzige brok chocola te zien inslaan.

Dag 6 – 22 mei

De premier fietste het Binnenhof op, langs de fontein van Willem II af, tussen het Ministerie van Algemene Zaken en de Ridderzaal door. Het was voor het eerst in een week tijd dat hij niet hoefde te vrezen voor vallend ongedierte, stekende insecten of kloppende zweren. Vandaag was alles angstwekkend normaal.

Op de vlaggen na, die halfstok hingen. Op de bloemen na die een deel van het plein aan het zicht onttrokken.

“Mijnheer de premier.” Tibbes wachtte hem op, overhandigde hem een kop koffie. “Ik dacht dat u deze wel kon gebruiken.”

De premier nam zonder te spreken de koffie aan en liep naar binnen. Met Tibbes in zijn kielzog begon hij aan de laverende gang door het gebouw, richting zijn kantoor. De wallen onder en de blik in zijn ogen werden geïnterpreteerd als tekenen van vermoeidheid, van rouw, en beantwoord met sympathieke knikjes, zachte goedemorgens.

Niemand vermoedt dat dit wroeging is.

Niemand behalve Tibbes, die als een schaduw achter hem sloop. De premier merkte dat hij de tengere man erom haatte.

Zijn kantoor slokte hem op, genadig aan het oog onttrokken van mensen die met hem van doen hadden. De premier liet zich zakken in zijn bureaustoel en begon memo’s te ordenen, op de automatische piloot. Zoals hij de hele voorgaande dag op de automatische piloot had gestaan, vanaf het moment dat-

Een blok chocola, bevroren tot ijzige rots, sloeg met de snelheid van een kanonskogel omlaag en-

De premier schudde zijn hoofd, probeerde de herinnering van zich af te zetten. Het was gebeurd. Omkijken had geen zin. Toch?

Ze was verdomme nog maar zevenentwintig! siste een deel van hem terug.

“Tibbes.” Zijn stem klonk schor. “De familie van Si- van mevrouw Lemminx… is er al iets bekend over de dienst?”

Zijn secretaris keek hem plechtig aan. “Alles wordt geregeld,” zei hij. “Maakt u zich daar geen zorgen over.” De kleine man schraapte zijn keel. “De coalitiegenoten willen een gesprek met u vandaag, als het schikt,” zei hij, en een kleine glimlach verscheen op zijn gelaat. “Ik geloof dat het wonder waar ze op wachtten is geschied.”

De premier knikte. Hij keek naar zijn handen, voor zich gevouwen op zijn bureau.

“Van de Sabbat geen nieuws. Vandaag hoeven we in ieder geval geen plaag te verwachten. De Kring heeft in besloten gezelschap overleg, en komt vandaag of morgen met een statement over het tragisch ongeluk…” Tibbes snoof. “Zie dat maar eens recht te spreken. Ze mogen van geluk spreken als ze het gerechtelijk onderzoek doorstaan.”

De premier keek op met holle ogen. “En wij?”

Tibbes krabde aan zijn kin. “Hoe bedoelt u… oh, zo. Ik zou me geen zorgen maken. Onze… inroepkracht is uiterst zorgvuldig geweest. Er zal geen spoor van bemoeienis te vinden zijn. Het zal ook niet te bewijzen zijn dat de Sabbatleden schuld hebben, maar het zou me niks verbazen als Welmoed en haar schare vertrouwelingen nog voor het einde van de maand aftreden. En de dader?” Tibbes grijnsde. “Laten we het houden op een ‘lone spellslinger’.”

“Dat is genoeg,” zei de premier zachtjes.

“Wat blieft?”

“Ik zei, ‘dat is genoeg!’” De premier balde zijn vuisten. “Je kunt gaan, Tibbes. Laat me alsjeblieft in rust werken!”

Tibbes keek zijn werkgever een momentlang aan. “Zoals u wilt,” zei hij.

Hij sloot de deur achter zich, en de premier bleef alleen achter in zijn Torenkamertje. Waar hij probeerde niet te denken aan een dode.

Dag 7 – 23 mei

“Dit is een zwarte dag.”

De woorden van Desiré Welmoed, gesproken vanaf een podium aan de rand van het Binnenhof, werden op camera’s en microfoons gevangen, gedigitaliseerd en afgespeeld op tig kanalen. De bekendste heks van Nederland was gehuld in een zwarte jurk die, hoewel stijlvol, eerder somber dan sexy stond.

“Dit is een zwarte dag,” herhaalde ze. “Voor heel Nederland, heks of anderzijds. Wat gisteren is gebeurd, had niet moeten, niet mogen gebeuren. De acties van de Sabbat hebben tot een tragisch ongeval geleid. Een vrouw, een jonge vrouw, heeft onze nalatigheid met de dood moeten bekopen.”

Een moment nam ze adem. Het plein zweeg.

“Dit verandert niets, en tegelijkertijd alles. Onze principiële afkeer van een test die gericht is op brandmerken van mensen die anders zijn, is hiermee niet verdwenen. De Voynich-test is en blijft een walgelijk instrument. Tegelijkertijd,” ze sloeg haar ogen op, rechtte haar rug, “kan ik niet anders dan verantwoordelijkheid nemen voor wat hier iets meer dan vierentwintig uur geleden is misgegaan. Wat het strafrechtelijk onderzoek ook uit zal wijzen, of het hier nu een noodlottige samenloop der omstandigheden, grove nalatigheid of inmenging van kwaadwillenden betreft, één ding is zeker: ík heb gefaald om een ritueel in goede banen te leiden. En dus leg ik bij dezen mijn functie als hoofd van de Sabbat neer. En hoop dat de Sabbat zich, met inachtneming van de tragedie die zich hier heeft afgespeeld, zal blijven verzetten tegen onrecht, zoals we dat vanaf de tijd van de Duitse bezetting onafgebroken hebben gedaan. Ik dank u wel, en vraag tot slot één minuut stilte voor Simone Lemminx. Laat de gedachte aan haar lot de duisternis zijn die vandaag over ons allen ligt, opdat wij morgen weer helder kunnen zien.”

Haar laatste woorden galmden over een zwijgend plein. Ze nam een stap achteruit, sloeg haar handen over elkaar, liet haar hoofd lichtjes hangen en sloot haar ogen.

Het duurde zestien seconden voordat de stilte doorbroken werd, en de eerste steen geworpen. Die ketste tegen het katheder en vloog richting het hoofd van Desiré Welmoed, die de steen met een paniekerig gebaar op een haastig opgeworpen magische barrière liet afketsen.

“Weg met jullie heksen!” brulde de man die had geworpen.

Een tweede steen volgde. “Huichelaars!”

Een derde. “Moordenaars!”

Mannen en vrouwen drongen naar voren, hun gezichten vertrokken van woede. Anderen gaven tegengas, probeerden met maaiende armen de relschoppers van het podium weg te houden. De politie greep in en begon de vechtenden uit elkaar te halen, terwijl Desiré en de andere hoge heksen uit de Sabbat van het podium en van het plein vluchtten.

Honderden jaren diepgewortelde heksenhaat kwamen in één ogenblik naar boven geborreld.

Dag 8 – 24 mei

“Terneus.”

“Voor.”

“Uil”

“Voor.”

“Van Vlerken?”

“Voor.”

“En Wezendaal.”

“Voor.”

“Dank u wel. Dat betekent dat vóór de motie honderdzeventien hebben gestemd, tegen de motie twaalf. De motie is aangenomen.”

“Godzijdank,” mompelde de premier.

*

Die avond zat de premier achter zijn bureau. Hij trommelde op het eikenhouten blad met zijn vingertoppen en staarde door het raam naar een zachte lentelucht. De motie Voynich was een gemakkelijke overwinning gebleken, maar toch voelde hij geen enkele euforie in het zegevieren.

Hij had er eigenhandig voor gezorgd dat één Nederlander nu niet van deze zwoele lentelucht kon genieten. Vreemd genoeg wogen de stabiliteit van zijn coalitie, zijn kabinet en zijn eigen positie daar niet tegenop.

En dan zegt men wel dat politici geen scrupules kennen…

Er werd op de deur geklopt.

“Binnen.” De premier keek naar de deur en verwachtte Tibbes te zien. In plaats daarvan was het zijn ondersecretaris die een voorzichtige stap naar binnen deed. “Mijnheer de premier?” zei ze. “Blijft u nog? Kan ik u nog iets brengen? Koffie, thee?”

De premier fronste. “Mevrouw Kemkens… waar is meneer Tibbes?”

“Frank is eerder naar huis vandaag. Hij zei dat u het niet erg zou vinden.”

De premier knikte. Wellicht voelde Tibbes de emoties van zijn werknemer beter aan dan hij gedacht had. Wellicht-

“Meneer?”

“Hm? Wat?”

“Ik vroeg: kan ik u nog ergens mee van dienst zijn?”

“Nee. Wacht. Ja.” Er knaagde iets aan de premier. “Ik heb wat dossiers nodig. Van personeelszaken. Er is enige haast bij geboden.” Hij schraapte zijn keel. “En discretie.”

Kemkes knikte. “Wat u maar nodig heeft.”

*

De schemering had de straten al bijna helemaal verduisterd toen de premier bij het huis aankwam. Frank Tibbes woonde in een stadsvilla in Duttendel die halverwege de twintigste eeuw tot meerdere appartementen was omgetoverd: Tibbes had het, met een deel begane grond, een deel eerste verdieping en een fraaie achtertuin, helemaal niet slecht gedaan.

Hoeveel betalen we ons personeel eigenlijk?

De premier besefte dat hij aan het aarzelen was. Dit was slechts een bezoekje aan een trouwe werknemer, iemand waar hij al meer dan drie jaar lang uitstekend mee had samengewerkt. Niets vreemds, toch?

Waarom had hij dan het gevoel dat er iets onherroepelijk zou veranderen als hij zou aanbellen?

Dit is belachelijk.

Drie, vier stappen op de steile treden brachten hem naar de voordeur. Een enkel ogenblik aarzelde hij, en toen nam hij de klopper in handen. Driemaal sloeg hij de gietijzeren ring tegen het hout.

“Mijnheer de premier?” Tibbes leek verbaasd zijn werknemer hier te zien staan. Hij droeg een wit schort over een zwarte coltrui. Op de achtergrond klonk muziek: vreemde, onheilspellende melodieën.

Ken ik dat nummer ergens van?

De premier schraapte zijn keel. “Ik wilde even langskomen. Je bedanken. Voor je steun.”

Tibbes’ argwanende blik maakte plaats voor een glimlach. “Natuurlijk.” Hij knikte, en deed de deur open. “Komt u verder.”

Tibbes meubilering deed bohemien aan: stoffen en kleden uit tig culturen, van Navajo tot Perzisch tot een heus wandtapijt à la Bayeux. Rommelige boekenkasten, schetsen en het begin van een aquarel gaven het vermoeden van een uitgebreide intellectuele en creatieve ontplooiing.

Waar haalt hij de tijd vandaan? God weet dat ik hem lange dagen laat maken…

“Ik was bezig met een pasta,” zei Tibbes met een verontschuldigend gebaar richting zijn schort. Hij liep langs de premier af naar een kookeiland, waar verse groenten reeds tot dobbelstenen gereduceerd waren. Een halfleeg glas rode wijn stond naast een fles opgesteld. Tibbes reek naar de fles en toverde een tweede glas tevoorschijn. “U ook? Ik kan me voorstellen dat u het kunt gebruiken.”

De premier knikte. Hij liep langs de platenspeler af, en nam even de hoes van een Boudewijn de Groot-album in handen. Hij had de plaat misschien ooit gehoord, in een ver verleden.

“Eigenlijk,” zei hij, en hij legde de plaat weer weg, “wilde ik het met je over iets anders hebben?”

Tibbes trok een wenkbrauw op. “Oh?” Hij reikte de premier het glas wijn aan. “Hebben we meer drank nodig?”

De premier glimlachte zwakjes. Hij nam een slok, ademde uit. “Er zit me iets dwars, Tibbes.”

“Vindt u het erg als ik verder snijd?” Hij hield een bos wortelen omhoog. “Timing is alles, ziet u.”

“Nee nee, laat je door mij niet tegenhouden.” De premier nam nog een slok, liet de soepele rode wijn door zijn mond spoelen voordat hij slikte. Verdraaid goed spul. “Frank,” zei hij. “Kunnen we eerlijk zijn?”

“We kunnen een poging doen.” Tibbes keek niet op van zijn vliegensvlug snijwerk.

Hij weet verdomme wat ik hier kom doen. “Ik heb het gevoel dat je niet eerlijk tegen me bent geweest, Frank.”

Het ritmisch hakken ging door. “Hoe komt u daarbij?”

“Ik heb wat dossiers laten opvragen. Je… je bent zeer grondig geweest. Er was geen enkel beeldmateriaal van je voorganger secretaris Raalkens meer beschikbaar. Corrupte data, zeggen ze bij P&O. En dat het fysiek materiaal onleesbaar is – de krantenkoppen, de jaarboeken – dat is aan motten te wijten. Motten en lekkage. Hoe groot acht je die kans?”

Tibbes’ gebrek aan reactie sprak boekdelen. “Ik ben geen statisticus,” zei hij.

“Toch heb ik iets gevonden. De audio onder een filmfragment dat te corrupt was om te lezen. Onze vorige premier in gesprek met enkele journalisten. Raalkens komt ook even aan het woord. Weet je hoe zijn stem klonk?”

“Als een nachtegaal?” Tibbes keek op, pretlichtjes in zijn ogen. “Ik weet zeker dat u een punt heeft dat u wilt maken. Vóór of na de pasta? Ik maak altijd méér dan genoeg, u kunt mee-eten.”

“Waarom heb je het me nooit verteld?” De premier zette zijn glas neer met een harde tik. “Waarom heb je nooit gezegd dat je voor de vorige premier werkte?”

“Is dat belangrijk?”

De premier lachte ongelovig. “Dat je voor de oppositiepartij werkte? En onder een andere naam? Wat denk je zelf?”

“Een baan is een baan. Heb ik u ooit slechte diensten geleverd?”

“Niemand herinnert je.” De stem van de premier klonk nu zacht. “Niemand. Data vernietigen is één ding, maar herinneringen iets anders. Verdomme, Tibbes! Je werkte al acht jaar op het Ministerie, voordat mijn kabinet gevormd werd!”

Tibbes schudde zijn hoofd. “Langer.”

“Hoe kan dat?” Het kwam eruit als gefluister.

“Ik denk dat u moet gaan zitten.”

“Ik sta prima.”

“Het was geen suggestie.” Tibbes keek de premier scherp aan. “Zit. Of u valt om.”

De premier wilde protesteren, maar zijn stem werkte niet mee. Hij voelde hoe zwaar zijn benen werden. Hij greep naar de leuning van een fauteuil, liet zich in de zachte bekleding zakken.

“Dit gebeurt niet,” fluisterde hij. “Dit gebeurt niet.”

“Ik kan veel,” gaf Tibbes toe. “Levensechte hallucinaties roep ik echter niet zomaar op. Dus verzeker ik u: dit gebeurt wel degelijk.”

“Je werkt voor de Sabbat.”

“Fout. De koning werkt niet voor zijn lakeien.”

“Wat…waar heb je het-”

“Er zijn dingen die u weet,” onderbrak Tibbes hem. Hij kwam achter het kookeiland vandaan en deed zijn schort af. “Dingen die u vermoedt, en dingen waar u geen enkele weet van heeft.”

Het schort werd opgevouwen en eerbiedig op het kookeiland gelegd. “Feit één: magie is een grondstof. En, net als alle grondstoffen, beperkt. Feit twee: sinds het uit de schaduw treden van de heksen in WOII worden er méér en méér mensen bewust van hun magische capaciteiten. Ziet u het probleem?”

De premier knipperde met zijn ogen. “Concurrentie. De brandstof is beperkt.”

“Juist. Hoe méér mensen aanspraak willen maken op de magische stromen, hoe minder er per persoon is. Daarom is de Voynich-test zo belangrijk. En dat die test er met voldoende steun van het volk doorheen zou komen. De heksen moesten tegensputteren, natuurlijk, dat werd van ons verwacht. Maar niemand vermoedde dat de Sabbat op zoveel sympathie kon rekenen.”

“Maar… als je met de Sabbat werkt…”

“De Sabbat is een façade. Vooruitgeschoven idioten die het gezicht van hekserij mogen uitdragen. Er zijn genootschappen die ouder zijn, heimelijker, met een eigen agenda.” Tibbes glimlachte. “Wij adverteren ons bestaan niet.”

“Jij bent een heks.”

“Een verdomd goede ook. Wanneer begon u het te vermoeden?”

“De huurheks.” De stem van de premier klonk schor. Hij greep weer naar het wijnglas, nam een diepe slok. “Binnen een paar uur had jij het geregeld. Dat kan niet zonder bepaalde… connecties. Affiniteiten.”

Tibbes knikte. “Goed geredeneerd. In feite had ik het ritueel zelf aan kunnen sturen, kunnen richten met een even dodelijke afloop.”

“Waarom deed je dat dan niet?”

“Is dat niet duidelijk? Doet iemand onderzoek, dan kan ik voor een rechter staan en zweren dat u de beslissing nam. Ik heb zelfs getuigen die u en de huurheks in dezelfde ruimte kunnen plaatsen. Uw hachje en niet het mijne. Niets persoonlijks, overigens.”

De premier hapte naar adem. “Jij was degene die-”

“De vorige premier liet ontsporen, juist. En het nummer dat hij zong kwam uit Grease, niet West Side Story.”

“Waarom?”

“Omdat hij erachter kwam. Net als u.”

“Maar…” de premier keek naar de wijn. “God… wat heb je gedaan?”

“Waanzin, beste premier. Een nevenproduct van het vergeten. Ik zou willen dat het anders was, maar ik vrees dat het afgelopen is met uw politieke carrière. Geef het een jaar, en dan is uw geest te ver gebroken.”

“Dit kun je niet doen!” siste de premier. Hij vocht om overeind te komen. “Ik zal-” Zijn grip op de leuning verslapte, en hij viel weer achterover in de fauteuil.

“U zult niets.” Tibbes klonk wreed noch meelevend. “U zult hier zitten en gedurende ons gesprek vergeten wat hier is gebeurd. Dan gaat u naar huis. Morgen is een nieuwe dag.”

“Waarom…” de premier voelde nu de tranen komen. Warm, prikkend. Méér dan hij om een dood meisje gelaten had. “Waarom doe je dit? Wat heeft de Voynich-test met de magie te maken?”

“Méér en méér magiërs, m’n beste. Méér en méér heksen. En de Voynich-test geeft een perfecte, feilloze en uitermate wettelijke wijze om de toename van de heksen in de gaten te houden. En dan wordt het voor ons een kwestie van… bijsnoeien.”

De premier knipperde met zijn ogen. De muziek zwol aan terwijl zijn hoofd tolde en zijn maag zich omdraaide. Luid, opzwepend, hysterisch, met een stem als die van een nar die namen uit de Onderwereld omriep:

Kinderen van Arion, kinderen van Nerion, kinderen van Ur, Balder en sater, kinderen van de maan, dochters van Varaan, zonen van Waldaan, noem de naam!

“Je gaat ze vermoorden,” fluisterde de premier. “Alle kinderen die magie…”

Het was onmogelijk dat Tibbes hem hoorde, te midden van de kakofonie. Onmogelijk. En toch knikte hij, de heks.

“En op de tiende dag,” – de premier hoorde de woorden van de heks in zijn hoofd, kalm en kil – “zond hij zijn tiende plaag. En doodde Hij de eerstgeborenen.”

De premier liet zijn hoofd vallen. Duisternis nam hem, te midden van de slotwoorden zang:

Satan is hier!

Satan is hier!

Satan is HIER!

EINDE

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll to top