Short Story – Meneer Brontos

MENEER BRONTOS

Het was de derde keer die week dat de gordijnen vlam vatten. Suzanne had er meer dan genoeg van.

“Werkelijk, meneer Brontos!” Ze wees met haar taps toelopende wijsvinger naar de oude man die haar vanuit zijn rolstoel toegrijnsde. “Als ik uw kamer niet al meermalen op lucifers en aanstekers doorzocht had, zou ik zweren dat ú de aanstichter was!”

Suzanne Terneus was met haar 1 meter 85 en de nodige extra kilo’s aan haar toch al niet onaanzienlijk lijf niet één van de zusters uit het verzorgingstehuis die men graag boos wilde zien. Ze werd door haar collega’s liefkozend ‘de stormram’ genoemd. Ze droeg die naam als een eretitel.

Op meneer Brontos had haar indrukwekkende driftbui echter weinig effect.

“Daarbij,” gromde ze, de oude man vanonder haar wenkbrauwen aanstarend terwijl ze de smeulende stof van de gordijnrails nam, “hoeft u niet zo blij te kijken.”

Meneer Brontos keek altijd blij. Maar niet het type blij dat sommige van de dementerende residenten vertoonden; een kinderlijk, verwonderd blij, of een bevroren vriendelijke glimlach. Meneer Brontos keek alsof hij net kattenkwaad had uitgehaald, en er mee weg was gekomen, en dus bijzonder in zijn nopjes.

“U moet zich niet zo opwinden.” Een grijns brak door op het gebruinde gelaat, te midden van een grijs met zilveren baard. “Heeft u nooit gehoord dat dat slecht kan zijn voor de hartdruk? Dat je er een bloedstilstand van kunt krijgen?”

“De bloeddruk. Een hartstilstand,” corrigeerde Suzanne afwezig, terwijl ze het rokend gordijn tegen het licht hield. Als ze nu eens kon uitdokteren hoe deze oude man zijn pyromane kunsten op de meubilering botvierde…

“Precies dat,” de oude man wuifde zijn versprekingen met een ongeduldig gebaar weg. “Iets medisch, in ieder geval, en onplezierig. Niet iets voor een meid als jij, zo jong en vitaal. Over plezier gesproken…”

Suzanne snoof. “Hier gaat u me weer een aanbod doen voor vleselijke geneugtes? Mag ik u eraan herinneren, meneer Brontos, dat u een patiënt onder mijn hoede bent? Dat u met gemak drie keer zo oud bent? Dat ik dus geen enkele interesse heb? Of zijn dat feiten die u uiterst selectief gaat vergeten?”

“Ach, leeftijd!” Weer die wuivende hand. “In mijn tijd deed niemand daar moeilijk over. Het hart wil wat het hart wil. En het vlees ook. En jij zit goed in het vlees, dunkt me.”

“Ik kan me voorstellen dat u de nodige klappen in het gezicht hebt gekregen door dit soort geflirt,” bromde Suzanne, die haar inspectie van de synthetische stof doorzette. De weggebrande gaten zaten hoog, hoger dan meneer Brontos vanuit zijn rolstoel kon reiken. “En ik kan niet zeggen dat ik de dames in kwestie ongelijk zou geven als ze een keer goed hadden uitgehaald.”

Meneer Brontos haalde zijn schouders op. “Klappen horen bij het leven, en bij de liefde. Ga je nog een nieuw gordijn halen of hoe zit het? Je staat in mijn zon.”

Suzanne richtte haar samengeknepen ogen op de schaamteloze oude man. “Als u me vertelt hoe u de fik erin zet.”

“Simpel. Ik roep de donder op.”

“‘Ik roep de…’,” Suzanne schudde haar hoofd. “Laat ook maar. Ik ga nieuwe gordijnen halen. Of kijken of we een verzwaard rolluik kunnen installeren. Kunt u dat zonnetje buiten gedag zeggen.”

Meneer Brontos keek al naar buiten, een afwezige glimlach op zijn gezicht. “Oh, ik ken de zon. Die steekt z’n kop wel op waar ik wil.”

De verpleegster drapeerde de gordijn over haar arm en liep de stoffig gemeubileerde kamer uit, blij om het gemengde aroma van tabak, koffie en, vreemd genoeg, ozon, achter zich te laten.

Ze hield van haar werk, ze gaf om de bejaarden die hun heidagen in Huize Zomerzon uitzaten. Maar soms, ééns in de zoveel jaar, trof ze een resident als meneer Brontos.

En wenste ze dat ze die persoon eens goed de wind van voren kon geven.

*

Meneer Brontos was zich van de ergernis van Suzanne Terneus nauwelijks bewust. Hij keek uit het raam, naar de strakblauwe lucht en de felle zomerzon die op de een of andere manier zijn botten maar niet wilden verwarmen.

Zijn glimlach vertrok tot een grimas, want hij voelde de donder naderen.

*

Die nacht werd er gedroomd in Huize Zomerzon. Niet de gebruikelijke dromen, waarin de hoogbejaarde mannen en vrouwen van de afdeling hun jeugd herbeleefden, oude bekenden ontmoetten, vroegere vriendjes en vriendinnetjes hervonden. Niet de lome mijmeringen en mengelingen van gemiste kansen en memorie.

Vannacht waren hun dromen wild en gevuld met leven.

Mevrouw Samiras liep door een veld vol rotsen, haar keel droog en haar lippen gebarsten. De hitte was overweldigend, en onder haar lakens woelde en zweette ze. Hoog aan een rots zag ze haar echtgenoot, naakt, vastgebonden, en hun oude parkiet die langzaam maar zeker een gat in zijn buik prikte. Zijn kreten vulden de kale vallei.

En terecht, dacht ze, en met een verbeten glimlach liep ze door.

Een kamer verderop was meneer Visser in gevecht verwikkeld geraakt, hijzelf tegen een reus waarin hij vaag het gezicht van zijn lang overleden vader herkende. Het gevecht werd naakt uitgevochten, met sikkels en knetterend vuur in hun bebloede handen. Het duurde niet lang voordat zijn uithalen zich vertaalden naar zijn slapende lichaam, en zijn nachtlamp met een klap op de vloer landde.

Halverwege de gang kwam mevrouw Kruijf op handen en voeten haar kamer uit gekropen. Achter haar gesloten ogen lag een weide gevuld met blanke koeien. Haar hart bonsde in haar keel en het zweet liep over haar lijf terwijl ze zich probeerde te verstoppen, probeerde te ontsnappen.

Ze wist niet eens waarvoor, totdat de magnifieke stier plots voor haar opdoemde. Haar gil echode door de gang en liet de nachtdienst snel opdraven.

Meneer Brontos zat nog voor het raam, onbewogen. Hij lette niet op de kreten van zijn buren of de sussende klanken van de nachtverpleging. Zijn blik was op de maan gericht. Ongerust zweet droop uit zijn poriën, de atmosfeer in, waar het als een wasem insloeg op alles en iedereen in de buurt.

Inmiddels was hij er zeker van. Ze hadden hem gevonden.

“Het was ook te mooi om lang te mogen duren,” mompelde hij.

Ze kwamen die ochtend, met z’n drieën.

Drie vrouwen, midden twintig, lang, slank, hun lichamen in die volmaakte vorm tussen jeugd en volle wasdom.

De middelste leek de baas: rijzig, met zilver geverfd haar dat recht naar beneden viel en net boven haar schouders scherp was afgeknipt. Het ijsblauw van haar ogen weerspiegelde de tint van haar mantelpak. De hand waarmee ze haar aktetas omklemd hield, als ware het een wapen, was slank en voorzien van een enkele zilveren ring.

Aan haar linkerzijde stond een vrouw die met geen enkel ander woord omschreven kon worden dan sensueel. Haar dat in koperen krullen van haar hoofd tuimelde, welvingen die strak in haar zomerjurk omspannen werden, lippen die rood omhoog krulden en groene ogen die uitnodigden tot liggen in het gras en genieten van wat de natuur heeft gegeven.

De dame aan rechterzijde was van een heel ander kaliber: blonde haren strak in een paardenstaart, afgedekt met legergroene pet. Een outdoor-vest, afritsbare broek, zware laarzen en riem vol buidels maakten de indruk van een jageres compleet. Enkel een geweer om haar schouder en verrekijker om haar nek ontbraken. Evengoed leken haar grijze ogen iedere beweging in het groen rondom het verzorgingstehuis te detecteren.

Een tijd lang keken de zussen – want dat het zussen waren, kon niemand die ze zag ontkennen – naar de gevel van Huize Zomerzon. Welke gedachten daarbij door hun hoofd gingen, kon geen voorbijganger raden. Totdat de middelste dame haar hoofd schudde.

“Wat een zielige poging.”

In formatie beenden de drie naar binnen.

*

Suzanne Terneus was op kantoor, samen met één overspannen zuster van de nachtdienst, en de administratief medewerker die chocola probeerde te maken van de gebeurtenissen van afgelopen nacht.

“Oké, dus…” Simon veegde enkele parels zweet van zijn voorhoofd, “…mevrouw Kellenaar was degene die de lijm tevoorschijn toverde en de paasversiering aan de mouwen van haar japon begon te plakken, terwijl meneer Bogaarts met zijn handschoenen gele verf op de muren smeerde-”

“-en riep dat hij de rijkste man op aarde was,” vulde de nachtverpleegster aan, haar stem vlak en haar blik op oneindig. Suzanne vermoedde dat ze een lichte vorm van shock doormaakte.

“En dat,” knikte Simon. “En de magnetron?”

“Mevrouw Vlemmix,” bromde Suzanne, die een heel wat beter geheugen had dan de overrompelde administratief medewerker. “Toch, Marleine?”

Marleine knikte, zonder op te kijken. “Ze wilde ‘al het kwaad terug in de doos steken’. Dat schreeuwde ze toen we haar bij het apparaat wegrukten. Twee seconden later en ze had vijf mobieltjes, een blik soep en de huiscavia gesmolten.”

“Laten exploderen, liever gezegd…” Simon trok een grimas, probeerde orde te vinden in de wirwar aan overtredingen en schaderapportages die zijn bureau aan het zicht onttrok. “Puur en alleen al de materiële schade terugvorderen wordt een logistieke ramp.”

“Ik zou me liever zorgen maken om de residenten,” zei Suzanne droogjes.

“Vijftien jaar…” Simon en Suzanne moesten moeite doen om Marleines gefluister te horen. “Vijftien jaar, en ik heb ze nog nooit zo meegemaakt. Het is alsof ze bezeten waren…”

“Wat heeft dit veroorzaakt?” Simon keek de verpleegsters streng aan, alsof een boze toon hem antwoorden ging opleveren. “En hoe voorkomen we dat dit vannacht weer gebeurt?”

Suzanne boog zich over het bureau, las de overtredingen en de namen die daarbij genoteerd stonden.

“Massahysterie,” mompelde Marleine.

“Een gaslek,” suggereerde Simon. “Voedselvergiftiging. THC in het middagmaal…”

“Doe niet zo achterlijk. Het is toch duidelijk?” Suzanne ving Simons verwarde blik met de hare, en schoof het blad met de namen nog eens naar hem toe. “Wat valt op?”

Simon schudde zijn hoofd.

“Wie ontbreekt?”

“Ehmm…”

“Brontos!” Suzanne uitte de naam als een vloek. “De hele afdeling vertoont afwijkend gedrag, en uitgerekend meneer Brontos blijft rustig op zijn kamer zitten!”

“Wacht even…” Simon wreef over zijn ongeschoren kin. “Alle anderen hangen de vandaal uit, en jij zoekt de schuldige in de enige onschuldige?”

“Denk je dat vijftien bejaarde mensen ineens besluiten het hysterisch beest uit te gaan hangen, om ons te zieken? Brontos zit hierachter, ik weet het-”

Wat ze zeker wist, werd overstemd door de consternatie die vanaf de gang te horen was.

“Dames!” hoorde Suzanne een felle stem roepen, “Er zijn regels, protocollen! U kunt niet zomaar binnenwalsen!”

Dat was Desi, dacht Suzanne. Een collega die haar korte gestalte maar wat graag compenseerde door op vol volume te spreken. De ‘dames’ die ze aansprak leken echter weinig gehoor te geven aan haar verzoeken, want Desi’s stem kwam dichterbij, en voor Suzanne het wist vloog de deur open.

Wat nu weer? Was haar eerste gedachte. De tweede was, mijn god!

In de deuropening stonden drie rijzige vrouwen, de één nog knapper dan de ander. Suzanne probeerde scherp te stellen op hun gelaatstrekken, maar kon achteraf niet zeggen waardoor ze nu precies zo knap waren.

Hun charisma, dacht ze. Hun aura, hun… totaliteit.

Desi, verstopt achter het drietal en ogenschijnlijk ongehinderd door hun uitstraling, zette haar tirade vrolijk voort. Suzanne wist haar stem te hervinden en vroeg, schor, “Excuseert u mij, maar wie bent u?”

De voorste van de drie, die eruitzag als de sexy CEO van een multinational, glimlachte zuinig. “Wij komen voor onze vader.”

*

Het kostte Suzanne de nodige moeite om wat orde te herstellen in het kantoor. Teveel mensen, besefte ze. Demi vroeg ze om op de afdeling bij te springen, Marleine mocht naar huis. “Je hebt alles gedaan dat je hier kunt doen,” verzekerde Suzanne haar overspannen collega. “Ga naar huis, rust uit. Wij nemen het over.”

En toen waren ze nog met z’n vijven. Suzanne, leunend tegen de muur, Simon die zijn bureau ordende, en aan overzijde van het bureau de drie dames. Ze hadden zichzelf voorgesteld als Van Uyl, De Wildt en Uiterzee. Zussen, maar van verschillende moeders. Ondanks hun afwijkende achternamen hadden ze een vader gemeen.

“Sorry,” stamelde Simon, die zijn blik maar niet van de roodharige mevrouw Uiterzee kon houden. “Ken ik u niet ergens van? U komt me bekend voor.”

Een glimlach verscheen op het knappe gelaat van de voluptueuze dame. “Misschien heeft u één van mijn films gezien?” Ze kruiste haar benen. “Ik ben nogal een ster, in een bepaalde tak van de cinema.”

Simon liep rood aan, kuchte, rommelde nog wat met zijn papieren.

Suzanne zuchtte en richtte zich tot de zussen. “U zegt dat u een vader deelt. Laat me raden: meneer Brontos?”

De zussen deelden een geamuseerde blik.

“Brontos?” snoof De Wildt, de zus met de paardenstaart die achter uit haar donkergroene pet stak. “Noemt hij zich zo tegenwoordig? Weinig subtiel. De vorige keren deed hij tenminste nog moeite om zich verborgen te houden. Hij wordt het spel moe, wordt laks.”

“Of hij wíl gevonden worden,” opperde Uiterzee.

“W-wacht even.” Simon schudde zijn hoofd. “Wilt u zeggen dat de heer Brontos hier onder een valse naam is ingeschreven?”

Van Uyl rolde met haar ogen. “We komen hem ophalen. U zult zich geen zorgen meer om hem hoeven maken.”

Er was iets in de toon waarop ze het zei. Suzanne zag Simon knikken, voelde zelf ook hoe ze de neiging had aan het verzoek te voldoen. Alsof dat de enige logische keuze was…

“Wacht even,” verraste ze zichzelf door hardop te spreken. “We weten niet eens wie u bent, of u kunt bewijzen dat Brontos uw vader is. En als hij hier daadwerkelijk met valse papieren is binnengekomen, is dit een zaak voor de politie.”

Van Uyl leunde achterover in haar stoel, bekeek de zwaargebouwde verpleegster van top tot teen. “U bent niet verbaasd,” concludeerde ze. “U gelooft meteen dat hij zijn papieren kan hebben vervalst. Waarom, vraag ik me af. Wat heeft hij nog meer uitgehaald?”

Suzanne wilde meteen antwoord geven, wist net op tijd haar kaken op elkaar te klemmen. Verdorie, wat was er mis met haar? Totdat ze zeker wist dat deze jonge vrouwen inderdaad de dochters van Brontos waren – en hoe kon een gedrongen man met scheve grijns zulke schoonheden verwekken? – hoefde en moest ze hen helemaal niets vertellen!

Simon leek minder last van dat soort inhibities te hebben. “Oh,” zei hij enthousiast, “van alles! Hij smokkelt tabak binnen, zet zijn gordijnen in brand en flirt ongegeneerd en tot op het misdadige af met al onze medewerkers – mannen én vrouwen, moet ik daarbij vermelden. En dan is er nog de massahysterie van afgelopen nacht, maar of hij daar schuldig aan is moet nog blijken.”

“Oh, hij is schuldig,” snoof De Wildt. “Reken maar dat hij schuldig is.”

“Aan echtbreuk, seksuele intimidatie, machtsmisbruik, verwaarlozing,” sprak Van Uyl kalm, alsof zij de aanklager en haar vader de verdachte was. “En grove minachting van iedereen die niet hijzelf is.”

“Evengoed is het onze vader,” glimlachte Uiterzee geruststellend. “En we houden van hem. We nemen hem van u over.”

U doet helemaal niets, wilde Suzanne zeggen. Maar voor de tweede keer werd ze onderbroken door de deur die openzwaaide.

Desi stak een bezweet hoofd naar binnen. “Een probleempje,” zei ze, “één van de residenten is… ehmm… tijdelijk kwijt.”

“En drie keer raden wie,” bromde Suzanne. Tegen de zussen zei ze: “Kom, als u echt zijn dochters bent, mag u helpen zoeken.”

*

De jacht begon in Brontos’ zwaar gestoffeerde kamer, die inderdaad leeg was.

“Het raam staat open,” merkte De Wildt op. “Hij is eruit geklommen.”

Desi schudde haar hoofd. “Meneer zit in een rolstoel. Op een goede dag kan hij zelfstandig naar het toilet, maar niet terug. Nee, hij is de gang opgerold.”

De Wildt keek de gedrongen Desi geringschattend aan. Ze liep naar het raam, stak haar arm naar buiten en trok iets uit het struikgewas omhoog. De rolstoel kwam in beeld, opgeklapt en wel.

“Het raam,” herhaalde ze. “Hij is de tuin in.”

Ze liet de rolstoel weer vallen en sprong soepel door het raamopening naar buiten, haar lichaam één en al gratie en geruisloosheid. “Komen jullie?” vroeg ze zonder om te kijken.

*

Suzanne, Desi en Simon volgden de jonge De Wildt, die als een bloedhond een ongezien spoor door het uitgestrekt terrein volgde.

“Wat volgt ze?” klaagde Suzanne tegen haar collega’s. “Ik zie helemaal niks.”

Simon schudde zijn hoofd. Desi zei niets, hijgde in haar moeite het tempo bij te benen.

Achter hen liepen de andere zussen, Van Uyl en Uiterzee. Toen Suzanne achterom keek, kon ze zweren dat de twee zussen over het gazon leken te zweven.

“Wat een kutfamilie,” zei ze, heel zachtjes.

Ze troffen de heer Brontos aan bij de kapel: een bouwwerk in nabootsing van een grot, met daarin een beeld van Maria onder een Christusbeeld. Stenen bankjes stonden voor de grot opgesteld met een gangpad ertussen. In de grot zelf brandden kaarsen.

Brontos zat op zijn knieën, net op de drempel van de kapel, zijn ogen gericht op een boek dat op zijn brede handpalmen lag.

“Ga weg!” riep hij, zonder om te kijken en nog voordat de zussen en het personeel de stenen banken hadden bereikt. “Ik ben aan het bidden!”

“Alsof je daar niet veel te narcistisch voor bent,” lachte Van Uyl schamper. Ze beende door het gangpad op hem af. Suzanne bleef op afstand, net als haar collega’s, maar het viel haar op dat de twee andere zussen aan weerszijden om de banken heen liepen, alsof ze hun vader de pas af wilden snijden.

“Tot wie moet jij nou bidden, vaderlief?” vroeg Uiterzee zoet. “Ben jij per slot van rekening niet de allerhoogste?”

“Bovendien,” merkte De Wildt op, “is het lastig bidden uit een kookboek.”

Brontos wierp een verbaasde blik op het boek in zijn handen. “Verrek,” zei hij. “Ik vroeg me al af waarom Desserts: 17 me zoveel inspiratie gaf.” Hij liet het boek vallen, kwam overeind en klopte de knieën van zijn beige broek af. Suzanne kon geen spoor stramheid in zijn bewegingen herkennen.

“En nu,” zei hij, zijn blik tussen zijn drie dochters heen en weer bewegend. “Wat nu? Gaan jullie je oude pa knevelen? Hem aan een rots binden en de gieren van zijn lichaam laten vreten? Alleen duiven en rotkauwen hier, dus het kan een tijd duren voordat ze door mijn taaie pens komen, maar we kunnen het allicht proberen.”

Geen reactie.

“Dat is toch wat jullie willen?” snauwde Brontos. “Een zondebok?”

Suzanne deed een stap achteruit. Het was de eerste keer dat ze de oude man boos zag, besefte ze. En het leek erop dat de donderwolken niet alleen in zijn ogen stonden; ook boven hen betrok het, en ineens leek de strakblauwe lucht gevuld met een loden wolkendek. De eerste flitsen volgden op het laag gerommel, en in het flikkerend licht leken de ogen van Brontos donkere kolen in een felverlicht gelaat.

“Bijna drie en een half millennium!” donderde hij, zijn vuisten gebald naar beneden gericht, zijn voeten stevig op het grind, alsof hij de kracht van zijn tirade uit de aarde zelf naar boven haalde. “Alles ging prima! Alles ging goed! En nu ineens is dat niet goed genoeg meer! Nu moeten we buigen voor grillen van idioten die nooit een dag hun handen uit de mouwen hebben hoeven steken! Overgevoeligheid! Hypercorrectheid! Om de hete brei heen draaien en om lange tenen heen dansen totdat we helemaal niets meer mogen!”

De storm zwol aan: een crescendo van knetterende flitsen vanuit de donkere maalstroom wolken, met als epicentrum de lucht direct boven de kapel, boven de kruin van de ziedende Brontos.

“Drieduizend jaar was ik de man! De macho waar alle macho’s tegenop keken! Hét oorspronkelijke alfa-mannetje. Wat zeg ik, de alfa én de omega, totdat die charlatan,” – hij wuifde vagelijk richting het kruis op de kapel – “er met die titel vandoor ging! Drieduizend jaar liet ik mannen zien wat daadkracht betekent! Denk je dat er zonder mij een gulden vlies was binnengehaald? Dat Troje zou zijn gevallen of die arrogante koningen ooit thuis waren gekomen? Denk je dat ze de Perzen tot puin hadden geslagen of de democratie de wereld in geslingerd hadden?”

Zijn ogen lichtten nu wit op, en om zijn vingertoppen kwam de geladen lucht knisperend en knetterend vrij. Even dacht Suzanne zelfs dat ze zag hoe de schoenen van de oude man loskwamen van het grind, opgetild door de lucht die vol leek van energie.

“DRIEDUIZEND JAAR!” bulderde Brontos. “EN NU MOET IK KNIELEN VOOR DIE… DIE… FÉÉKS?”

Het woord kwam eruit als een donderslag. De grond schudde en de hemel sloeg open, en daarmee verdwenen de donderwolken even snel als ze waren komen aanzetten.

En in hun kielzog stond een oude man, op benen die hem ternauwernood droegen. Hij greep naar de dichtstbijzijnde bank en hield zichzelf staande. “Heb meelij…” zei hij, zijn blik op het grind gericht.

Vier, vijf seconden leek het tableau bevroren. En toen was het de middelste van de drie zussen – Van Uyl – die de stilte doorbrak.

“Pap,” zei ze, “doe niet zo dramatisch.”

Haar sigaret belandde met een keurige parabool in het grind. Ze zette een paar stappen voorwaarts en tussen hoge hak en grind werd het gloeiend tabak gedoofd.

“We hebben je nodig, dat weet je.” Ze sprak kalm en zakelijk, haar ogen zonder meelij voor de gebroken man. “Voor de legitimatie. Het is geen oneerlijke deal, overigens. Je had veel minder kunnen krijgen dan 50 procent.”

De stem van Brontos klonk verbeten. “Maar ik had álles.”

“Had, pap. Hád.”

Panta rei,” zei Uiterzee.

Kai ouden menei,” vulde De Wildt aan.

Van Uyl rechtte haar jasje. “We komen morgen terug. Zorg dat je klaar bent. En alsjeblieft: geen vluchtpogingen meer. Het wordt gênant.”

Hun draaien ging synchroon, evenals de drie, vier passen die ze zetten. Daarna waren ze er niet meer.

Suzanne knipperde met haar ogen. “Hoe…wat…?” Hoe kan dat?

Brontos maakte een scheppende beweging met zijn been, schopte grind rond. Het gebaar leek op dat van een nukkig kind.

Suzannes lichaam kwam als eerste in beweging, haar geest volgde. “Simon, Desi, gaan jullie maar alvast terug. Ik breng de heer Brontos wel naar zijn kamer.”

Ze zag niet, maar voelde hoe haar collega’s achter haar rug een blik uitwisselden, hun schouders ophaalden. Al snel waren hun voetstappen buiten Suzannes gehoor.

Brontos had zich op de stenen bank laten zakken, zijn hoofd gebogen, handen tussen zijn knieën.

Suzanne ging naast hem zitten. “Gaat het?”

“Gaat het…” Brontos snoof. “Gáát het! Laat ik je dit vertellen, mevrouw de Neus-”

“-Terneus.”

“-Ja, precies. Laat ik je dit vertellen: er was een tijd dat ik die drie opstandige welpen in mijn eentje had kunnen platslaan, hoe formidabel ze voor iemand als jou ook zijn. Er was een tijd dat ik Titanen bevocht, met niets dan mijn spieren, mijn macht en mijn wil. En nu…” hij gebaarde naar zichzelf, lachte wrang. “Hoe zielig is dit?”

Suzanne schudde haar hoofd. “Wie bent u? Echt, bedoel ik.”

“Laat me raden: je hoeft geen Gymnasium te doen om in een zorginstelling te werken?” Hij wierp de verpleegster een schuine blik toe. “Nooit mythologie gehad op school?”

“Wacht… Zeus? Maar- maar dat kan niet! Goden zijn-”

“-niet echt?” Brontos gebaarde naar de kapel. “Wat een verspilling van tijd en geld is de katholieke kerk dan, zeg. Zullen we de volgende zondagsmis maar overslaan?”

“U snapt wat ik bedoel!” Suzanne probeerde niet te snauwen tegen de oude man, maar sommige gewoontes waren hardnekkig. “Dat is symbolisch! Maar Zeus? Een God van de Olympus die zijn heidagen in een verzorgingstehuis doorbrengt?” Ze lachte ongelovig. “Onze keuken is niet slecht, maar het is nou niet bepaald nectar wat we voorschotelen. Ja, ik heb ook weleens een boek gelezen.”

“Dan weet je dat je ambrozijn bedoelt. Nectar drink je.” Er verscheen weer een glimlach op het gebruinde gelaat. “Goden, wat mis ik nectar…”

“Waarom gaat u dan niet terug? Ik bedoel, het leek erop dat uw dochters u graag mee terug nemen. Wat is daar zo erg aan? De meesten van onze residenten zouden er heel wat voor over hebben om bij hun familie te mogen zijn.”

“Ja, want zij gaan dood. Want hun familie gaat dood. Alles dat tijdelijk is, is zoet. Eeuwigheid, dat is een vloek.” Brontos zuchtte. “Ben je ooit getrouwd geweest?”

“Nou, ik heb nooit echt-”

“Niet aan beginnen. En doe je het wel, neem dan een echtgenoot die na dertig jaar een hartstilstand krijgt, zodat je met warme herinneringen aan hem terug kunt denken. Mijn vrouw en ik… er is een moment dat ‘tot de dood ons scheidt’ gewoon geen werkbare eindterm is.”

Suzanne glimlachte. “Dus daar komt dit allemaal door? Een echtelijke ruzie?”

Brontos lachte, hard en zonder humor. “Onze echt is een ruzie. Kom, help me overeind, dan doe ik het verhaal wel terwijl we teruglopen. Als ik nog maar een dagje hier heb wil ik de soep niet mislopen.”

“Serieus, de tomatensoep?” Suzanne hielp hem overeind. Op dit moment wist ze niet meer of Brontos zijn zwakte aanzette, of dat het gesprek met zijn dochters echt zo’n tol van zijn verborgen krachten had geëist. “Ik dacht dat niemand die soep lekker vond?”

“Oh, klopt. Niet te eten. Maar ik geniet ervan om toe te kijken hoe die oude lullen proberen hun baard niet oranje te kleuren.”

Suzanne wierp hem een boze blik toe. “Hé,” Brontos keek verontschuldigend. “Ik ben drieënhalfduizend jaar oud. Gun me m’n lolletjes.”

Lolletjes hoeven niet altijd ten koste van iemand te gaan,” snoof Suzanne. “U ging vertellen over uw vrouw?”

Brontos knikte. “Hera. Godin van het huwelijk, en de huwelijkstrouw. En haar man, dat ben ik. Oude, schuinsmarcherende Zeus. Hilarisch hè? Jongens, wat een bak.” Er klonk weinig humor in zijn stem door. “Ik zweer het je, als de fata echt bestaan, hebben ze een ziek gevoel voor humor.”

De wat?”

Laat maar. Maar goed, ons huwelijk is dus per definitie een worsteling. En dat weerspiegelt de eeuwige strijd tussen de seksen: de vrouw die wil nestelen, wil controleren. De man die zijn vrijheid wil en zich tegen die controle verzet.”

En alles wipt wat los en vast zit?” Suzanne floepte het eruit. “Ehm… ik bedoel…”

Je zei precies wat je bedoelde. Ja, ook dat. Hoort erbij. Testosteron enzo. Doodnormaal.” Brontos keek naar twee tortelduiven die voorbij koerden, zijn blik vol venijn. “Tenminste, dat was het. En toen kregen we anderhalve eeuw van vrouwelijke bewustwording. Feminisme. Seksisme.”

Sorry, we kregen seksisme? Seksisme is er altijd al geweest! We verzetten ons er nu tenminste tegen.”

Brontos schudde zijn hoofd. “Nee, we hadden een natuurlijke verdeling. En door het seksisme te noemen, werd het iets slechts. Namen hebben macht, weet je?”

Suzanne zei niets. Wachtte tot Brontos zijn verhaal vervolgde. Ze liepen onder de lindelaan en passeerden mevrouw Samiras, in een rolstoel voortgeduwd door één van Suzannes collega’s. De bruine vrouw knikte met grote, vriendelijke ogen. Brontos hief een hand op.

Nu is het een nieuwe era,” bromde de oude man, toen ze gepasseerd waren. “We worden geacht samen te regeren. Gelijkheid op de Olympus en, daaruit voortvloeiend, ook onder het volk.”

Dat klinkt niet zo slecht.”

Ten eerste!” Brontos hief een didactische vinger. “Mijn vrouw en ik slaan elkaar na twee dagen de kop in! Letterlijk, overigens. Bloed en bijlen en knallende koppijn. En dan krijg ik de schuld, want ik ben de man. Tot zover de gelijkheid.”

Geweld lijkt me nooit een oplossing,” opperde Suzanne zachtjes.

Werkte prima in Troje. Dat en dat houten knol, natuurlijk. Ten tweede: het hóórt niet zo. Het klopt niet. Mannen en vrouwen gelijk, dat druist tegen mijn aard in! Het is een verloedering!”

Oh, kom op!” Suzanne had de neiging de oude man door elkaar te schudden. “U kunt niet zo archaïsch zijn dat u echt denkt dat het nu niet beter is! Vrouwen die rechten hebben, werken, stemmen! Mannen die vrouwen als iets anders zien dan de zoveelste bloem om te plukken!”

Mannen die zeggen dat ze vrouwen als iets anders zien dan de zoveelste bloem. Klootzakken zoals ik zijn er altijd al geweest en zullen er ook altijd zijn. Dat verander je niet. Maar oké, oké, ik snap je punt. De normen veranderen. Jullie zijn erop vooruitgegaan. Hulde en hoezee, alle lof voor jullie. Maar wat betekent dat voor mij?”

Wat een egoïstische vraag is dat nou weer?”

Ik bén een egoïst. Vijftienhonderd jaar mocht ik met de scepter rondzwaaien, letterlijk. En zelfs daarna genoot ik nog genoeg aanzien. Zelfs nu zorgen de classici dat ik niet vergeten word. Maar ik ben oud, en gewend aan macht, en ik verander niet makkelijk. Zeg maar gerust ‘niet’. Flexibiliteit is geen goddelijk begrip.”

De schaduw van het tehuis viel over hen heen. Suzannes hoofd duizelde, en ze voelde absoluut niet de behoefte om een verstokte man van zijn denkbeelden af te praten. Laat staan een oude man die haar tot as kon reduceren. “We zijn er,” zei ze nors. “Gaat u hier maar even zitten, dan kijk ik of Desi de rolstoel voor u kan halen.”

Maar-”

Suzanne hoorde het niet. Ze liet de oude man staan en liep naar binnen. Het was de eerste keer dat ze een resident zo bruusk had achterlaten, besefte ze.

Het was dan ook de eerste keer dat een resident een God was.

*

Het was recreatieavond, die avond in het verplegingshuis. Een uurtje tussen half zeven en half acht, tussen koffie – decaf – en het avondprogramma, waarin liedjes werden geluisterd of gezongen, bingo werd gespeeld of, heel soms, een plaatselijke cabaretier of muzikant of tonspreker langskwam.

Simon had ervoor gepleit het niet door te laten gaan, na de ellende van afgelopen nacht, maar Suzanne had hem tegengesproken. “Juist nu hebben ze ritme nodig, de normale gang van zaken. We gaan ze niet straffen voor iets dat ze is overkomen.”

Simon mompelde wat over schadeclaims en budgetten. Suzanne liet hem maar. Háár wil werd werkelijkheid.

Dat was een mooie plaat, nietwaar?” Desi haalde de naald van de LP en keek de zaal rond. Normaal gesproken toverden de medleys van voor en tijdens de oorlog glimlachen van herkenning op de oude, door jaren verzachte gelaten. Vanavond was de sfeer echter vlak, lusteloos. Er hing weer onweer in de lucht. Niet het knetterend inferno van die ochtend in de tuin, ook niet de rusteloze spanning van de afgelopen nacht, maar een somberen, loden lucht.

Meneer Brontos zat achterin de zaal te kniezen.

Suzanne had haar rug naar hem toegekeerd, negeerde zijn nukken. Hij was potjandorie een God, hij hoefde toch niemand te hebben die zijn handje vasthield! Laat staan als hij zulke dingen over vrouwen bleef zeggen…

En?” Desi keek weer rond, haar handen in elkaar gevouwen, een feestmuts met elastiek die scheef op haar kruin prijkte. “Zullen we nog een lied zingen? Wie heeft een verzoekje?”

De zaal bleef stil. Één hand ging omhoog, en Desi wierp hoopvol haar blik op de vrouw die aan de hand vastzat. “Mevrouw Kruijskens? Zegt u het eens.”

…Toilet.”

Brontos gniffelde. Suzanne keek achterom en wierp hem een vernietigende blik toe. “Lette, kun jij mevrouw Kruijskens even meenemen?”

Het gepiep van de rolstoelwielen over het linoleum vervaagde, en in de recreatiezaal werd het weer stil. Desi zette een verbaasd, gespeeld verontwaardigd gezicht op. Het had niet misstaan op het gezicht van een kinderjuf. “Iemand?”

Ik ken wel een lied.”

Hoofden draaiden om meneer Brontos te kunnen zien. Hij was opgestaan, zijn voeten stonden wijd uit elkaar.

Welk lied is het?” Vroeg Desi. “Kunnen we meezingen?”

De glimlach op Brontos’ gebruinde gelaat was geheimzinnig. “Je kunt het proberen.”

En toen begon hij.

Menin aeide, Thea, Peleiadeoo Achilleoos…”

Zijn zang begon zacht, en zoet. Suzanne wilde protesteren – zag Desi hetzelfde proberen – dat niemand hem kon verstaan of begrijpen. Het protest stierf op haar lippen. Want ze verstond hem. En ze begreep zijn zang.

In een enkele seconde veranderde alles, en niets. Suzanne bleef dezelfde verpleegster, in dezelfde nét te steriele huiskamer van dezelfde gesloten afdeling van hetzelfde dure verzorgingstehuis. De mensen om haar heen bleven dezelfde, en toch was de afstand tussen hen gevuld met het zand dat al duizenden jaren om Troje lag. Het hoge Troje. Het winderige Troje.

Ze hoorde haar hart bonzen in haar keel, het wapengekletter en de marcherende gelederen van duizenden Griekse soldaten overstijgend. Ze voelde de wind die gierde om de met gras begroeide duinen, die speelde met de masten en opgerolde zeilen van een vloot van duizend schepen, de voorstevens diep in het strand geboord. Ze proefde op haar lippen het zout van de zee en voelde op haar huid de brandende zon.

Brontos zong. En zijn zachte, zoete melodie nam Suzanne, Desi en veertien oude Hollandse mannen en vrouwen mee naar een andere tijd en een andere plek. Liet hen de vergadering der Koningen zien, de ego’s en arrogantie van hooghartige Agamemnon, van trotse Achilles. Zijn zang werd laag en treurig, en op de muren van het belegerde Troje nam Hector, dapperste der Trojanen, een bitterzoet afscheid van vrouw en pasgeboren zoon.

De zang zwol aan, zweepte de krijgers op en stoof zand over de vlakte, waar speren en helmen en de knoppen op de wielen van strijdwagens het licht van Helios in duizend facetten weerkaatsten.

Schepen brandden en mannen schreeuwden. Vrienden vielen en vijanden wraakten hun eerdere doden. Goden kozen kanten in de strijd om de stad der steden. In de strijd die was begonnen om een vrouw.

Toen stonden ze tegenover elkaar: vlugvoetige Achilles. Hektor met de wuivende helmbos. Hun treffen was als het slaan van de donder op een bergrug. En met de valse hulp van een God werd één winnaar, de ander overwonnen.

Maar daar hield Brontos niet op. Zijn lied van oorlog werd er één van leed, toen Trojaanse mannen en vrouwen zagen hoe de trots van hun stad – hun Hektor – als een offerdier aan de wagen van Achilles werd weggesleept. Rondes en rondes om de stad, totdat er van zijn bronzen huid niets over was dan stoffig vlees, slechts goed voor honden en gieren.

Een adempauze – Suzanne, Desi, de ouderen voelden de tranen bijten. Dit kon niet het einde zijn! – en Brontos zong verder. Van een vader die op zijn knieën ging, en meelij vroeg, en meelij kreeg.

En in een stad die gedoemd was te vallen, vond vijand in vijand een mens.

Suzanne kon zich niet herinneren wanneer het lied ophield. Waar de grens tussen zang en werkelijkheid zich weer opdrong. Ze kon zich de rest van die avond niet herinneren, noch hoe ze terug naar huis reed. Het ene moment was de zang van de oude Brontos haar wereld, het volgende merkte ze dat ze in bed lag, starend naar een plafond.

Oké, gaf ze toe. Die charlatan kan zingen.

*

Suzanne meldde zich vroeg op haar werk, vroeger dan nodig was, de volgende dag. Haar dienst begon pas die middag, en zeker na haar overwerk van gister kon niemand verwachten dat ze eerder zou verschijnen.

Toch deed ze dat. Thuis was ze vol energie, rusteloos. De nacht had haar een droomloze slaap gegeven en oververkwikt wakker laten worden. En ze wist zeker dat Brontos daar iets mee van doen had. Dus had ze haar autosleutels van de keukentafel gegrist.

“Geen incidenten vannacht?”

Haar collega knikte van niet. “Integendeel: de oudjes lijken goed te hebben bijgeslapen. Ze zijn in een opperbeste stemming. Meneer Vlemmix had niet eens last van zijn reuma vanochtend. Gek he?”

“Ja,” mompelde Suzanne. “Heel gek.”

Ze trof Brontos aan op zijn kamer. Hij zat op de rand van zijn bed en keek naar buiten. Suzanne keek op zijn tweed-jas, op de koffer die naast hem lag, gesloten.

“Goed geslapen?” Hij draaide zich niet om toen hij het vroeg. Toch voelde Suzanne aan dat de oude man precies wist wie er achter hem stond.

“Wat heb je gedaan?” Suzanne keek rond, zag dat er links en rechts wat persoonlijke bezittingen van hun plek waren gehaald: de pijp op het bijzettafeltje, de zwart-witfoto van de zeilboot. “Ons betoverd? Gehypnotiseerd?”

“Zo kun je het noemen. Of verdomd goede performance art.”

Suzanne snoof. “Meestal ga ik van een avondje theater niet hallucineren dat ik daadwerkelijk in een oude oorlog rondloop. Dit was magie, goddelijke kracht, hoe je het ook wilt noemen. U heeft ons beïnvloed. Bedonderd.”

“Klaag je?” Brontos stond op, rekte zich uit, keerde zich langzaam om. “Slecht geslapen soms? En de oudjes, hebben die niet heerlijk gedut? Misschien zelfs minder lichamelijke kwaaltjes en klachten dan normaal?”

“U… heeft hen genezen?”

“Wat? Van ouderdom? Doe niet zo belachelijk. Daar is geen geneesmiddel voor. Nou ja… apotheose misschien. Of een sterrenbeeld erbij.” Brontos schudde zijn hoofd. “Nee, ik heb ze een jaar gegeven.”

Suzanne knipperde. “Een jáár?”

“Extra. Om van hun geliefden te kunnen genieten, weet je wel? En minder kwalen, voorlopig althans. Ik moest een beetje improviseren, en ik ben niet bepaald een neurochirurg als het om het gebruik van mijn krachten gaat.” Hij hield zijn hoofd schuin, keek Suzanne onderzoekend aan. “Hoe was het?”

“Sorry? Hoe was wát?”

“Mijn lied!” Hij wuifde ongeduldig. “Om sterk te zijn, machtig, mooi! Om te strijden, lachen en huilen te midden van helden!”

“Het was…” Suzanne probeerde iets nadeligs te vinden in de ervaring. Verdomme, waarom kon ze dat niet? “Het was indrukwekkend,” besloot ze. “Meeslepend. Vooruit, het was- het was geweldig.”

Brontos grijnsde. “Snap je het nu? Dat het nog niet zo vreselijk is als mannen mannen mogen zijn? Wanneer zijn we in godsnaam begonnen met práten in plaats van vechten?”

“Goede vraag,” zei Suzanne droogjes. “Had dat niet iets met die uitvinding van jullie te maken? Democratie heette het, geloof ik?”

Brontos keek haar door samengeknepen ogen aan. Suzanne kon een glimlach, en tot slot een luide, warme lach, niet onderdrukken.

“Je had mijn dochter kunnen wezen, weet je,” zei Brontos, wiens lachen met name in zijn ogen zichtbaar was. “De mantel van Athene had je niet misstaan. Zij had ook altijd zo’n rappe tong.”

Hij keek plots opzij, door het raam. “Over dochters gesproken. Daar zul je ze hebben.”

Suzanne liep naar het raam. Ze wist niet of ze een wagen getrokken door zonnepaarden verwachtte, maar de drie zussen Van Uyl, Uitterzee en De Wildt stonden in dezelfde V-formatie op de parkeerplaats. Hun outfits hadden ze verwisseld, hun méér dan menselijke uitstraling niet.

“Simon gaat moeite hebben met de administratieve afhandeling,” mompelde Suzanne, maar niet zo zacht dat Brontos haar niet kon horen. “Een man die wordt opgehaald door dochters die zijn naam niet delen.”

“Simon hoeft zich nergens zorgen om te maken. Morgen blijkt dat ik nooit in het systeem heb gestaan.”

Suzanne draaide zich om. Brontos had zijn koffer van het bed getild. Een klepmuts dekte zijn ogen af voor Suzannes blik. “En wij?” vroeg ze. “Gaan wij u vergeten? Selectief geheugenverlies?”

Brontos schudde van niet. “Daar zorgt de menselijke psyche zelf wel voor. Over een paar jaar heb je alles wat hier deze week gebeurd is, volledig gerationaliseerd. Ben ik niets meer dan die voortvluchtige oude Griek met een schare aan buitenechtelijke dochters. Normaal tot op het bot. En dan ben jij nog de scherpste van het stel. Ik denk dat je vriendje Simon me nooit door heeft gehad.”

“Hij is niet mijn vriendje.”

“Nee.” Brontos tilde zijn kin omhoog, en de pretlichtjes in zijn ogen werden weer zichtbaar. “Jij hebt een sterkere man nodig om jou bij te kunnen houden. Zoals ik zei, je had mijn dochter kunnen zijn.” De oude man deed een stap voorwaarts. Schraapte zijn keel. Zijn hand stak naar voren, breed en eeltig. Suzanne schudde hem.

“Dankjewel,” zei hij. “Voor de goede zorgen. Ondanks… wat ik ben.”

“Wat, een god? Of een verstokte seksist?”

Brontos glimlachte knikkend. Hij deed een stap achterwaarts, greep zijn rolkoffer bij het uitgeschoven handvat. Hij draaide zich om en liep naar de open deur, de gang op.

“Weet je,” zei hij op de drempel, zonder Suzanne aan te kijken. “Ondanks al mijn macho-gedrag, mijn vrouwonvriendelijkheid en bekrompenheid heb ik de vrouwen een grote gunst bewezen.”

“Oh?”

Hij keerde zich half om. Suzanne zag de glimlach op zijn gezicht. “Mijn dochters. Zonder een klootzaak als ik als vader waren ze nooit zo sterk geworden.”

Suzanne lachte. Brontos knikte en liep ervandoor. De gang op, de afdeling af. Het gebouw uit en richting zijn dochters.

Suzanne keek vanachter het raam toe hoe de drie hem met een simpele knik ontvingen. Er werden geen armen om zijn hals geslagen, geen kussen uitgedeeld of zelfs maar handen geschud. En toch… toch voelde Suzanne iets van liefde in de manier waarop de drie hun wereldvreemde vader thuis brachten.

De driehoek werd een diamant. Een vader en zijn dochters namen drie, vier stappen. En verdwenen in ijle lucht.

Suzanne keek de plek waar ze gestaan hadden na, totdat het overvliegen van een paar duiven haar uit haar mijmeringen haalde.

“Gekke Griek,” mompelde ze. Ze liep de kamer uit, naar het werk dat haar te wachten stond.

Haar glimlach verdween evenwel niet.

EINDE

 

Meer korte verhalen van theWritingWouter lezen? Klik hier of hier voor korte verhalen, of hier voor Schemerwoorden, Wouter van Gorps veelgeprezen verhalenbundel!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll to top