Short story: Voor het Ongeluk Geboren – 5e Harland Awards 2018

Met het verhaal “Voor het Ongeluk Geboren” behaalde TheWritingWouter de 5e plek op de Harland Awards verhalenwedstrijd 2018. Het is zijn zesde Harland Awards verhaal, zijn vierde notering in de top 5, en zijn derde verhaal dat precies de 5e plek haalt. Je kunt dit verhaal tijdelijk hieronder lezen. Meer over de prijzen en andere hoge noteringen in verhalenwedstrijden van TheWritingWouter vind je hier. Veel leesplezier!

Voor het Ongeluk Geboren

Zie je deze weg? Deze straal asfalt die de woestijn in tweeën snijdt? De strepen? Niet alleen de witte en gele lijnen die de weg volgen in iedere kromming en over iedere heuvel in het dorre landschap, maar ook de stroperige strepen teer die over het wegdek liggen, en de illusie wekken dat dit stralend voorbeeld van de Amerikaanse open road onderhouden wordt?

Je waant je zeker veilig op deze weg, gelooft dat het een getemd beest is, een gemak, een hulpmiddel om met je Buicks en Chevy’s overheen te scheren en de mijlen asfalt onder je banden voorbij te zien vliegen.

Ik weet wel beter. De weg is deel van het land geworden, en het land kent zo zijn geesten, zijn goden en demonen.

Waarom ik dit weet? Je kunt zeggen dat ik er beroepshalve achter ben gekomen. Ik ken de weg, ik bereis haar, en ik let op. En eens in de zoveel tijd zijn mijn vaardigheden nodig.

Want net als iedere god, is ook de weg eens in de zoveel tijd op een offer uit, en op bloed.

En dan komen wij in het spel.

Nevada, 1978

Op de WC achterin de All Day Burger werd Ramscaps vermoeden bevestigd.

“Shit! Shit, shit, dubbelshit!”

Hij zat op zijn knieën voor het toilet, zijn ellebogen rustend op het kunststof deksel. Om hem heen lagen stukken gereedschap en de onderdelen van de gedemonteerde stortbak. In zijn in latex gehulde handen hield hij de resten van wat ooit zijn prooi was geweest.

“Shit…”

Het lichaam, dat als een waterig vlies haar oorspronkelijke vorm snel begon te verliezen, leek Ramscap vanuit een uitgelopen gezicht grijnzend aan te staren. Ramscap herkende de gelaatstrekken maar al te goed. Tot dit moment waren het de gelaatstrekken geweest van het wezen – niet de man, hoe verleidelijk het ook was om dat woord te gebruiken – dat hij dwars door de staat opjaagde.

Maar die gelaatstrekken gingen hem niet meer helpen zijn prooi te herkennen.

“Twee uur,” mompelde Ramscap, terwijl hij met zijn vingers over de blubberige massa van het gezicht streek en zag hoe de huid in klonters losliet. “Twee uur geleden. Het spoor is nog vers.”

“Wat zeg je allemaal?” riep de man uit het WC-hokje naast hem. “Gaat ie goed daar?”

Ramscap verspilde geen tijd. Snel stak hij de waterige resten terug in de stortbak – die zouden daar geheel oplossen – en schroefde de WC in elkaar. Nog geen minuut later liep hij door het familierestaurant naar buiten. Een jong stel keek toe hoe de grote Indiaan met donder in zijn ogen door het restaurant beende en de gele handschoenen van zijn handen pelde. De handschoenen belandden in de prullenbak, maar het stel keek er niet van op.

Dit was de open weg. Hier bemoeide men zich met zijn eigen zaken.

Dat kwam Ramscap goed uit.

“Ramscap hier,” sprak hij even later door de portofoon van zijn roestrode pick-up. “Ik ben bij de All Day.”

“Bonafide hier,” kwam het krakerige antwoord. “Doelwit gesignaleerd?”

“Negatief. Doelwit heeft huls achtergelaten. Twee uur geleden. Huidige vorm onbekend.”

“Shit… Is ‘ie nog daar?”

Ramscap schudde zijn hoofd. “Negatief.” Hij keek naar de weg, die oost-west door het verlaten landschap sneed. “Wat ligt er in het oosten?”

Van de andere kant klonk het geritsel van wegenkaarten. “Een knooppunt, na 70 mijl. Door naar Fort Jumpter in het oosten, Gennaro in het zuiden. Noordwaarts naar -”

“Niet noordwaarts,” onderbrak Ramscap zijn partner. “De afgelopen dagen hield hij steevast het zuiden aan.”

“Juist. Oost of zuid, dus. Welke neem jij?”

“Oost. Neem contact op zodra je hem ziet.” Ramscap was even stil. “Dit wordt een grote, Bona. Ik voel het.”

“Laten we hopen dat je het mis hebt.”

Inderdaad, dacht Ramscap, terwijl hij zijn pick-up met grommende geluiden weer de weg op stuurde. Laten we het hopen, voor alle reizigers van Amerika.

Susan Bravado vond weinig sympathie in de oude pompbediende.

“Luister,” zei ze met op elkaar geklemde kaken. “Ik ben m’n creditcard kwijtgeraakt. En nee, ik weet niet waar dat is gebeurd. Kan goed twee stops geleden zijn geweest. En nee, ik kan niet terug om te gaan zoeken, want ik heb geen benzine. En die benzine kan ik niet kopen, want ik heb geen creditcard. Maar ik moet naar Gennaro, want-”

“Geen betaling, geen benzine,” onderbrak de pompbediende haar. In zijn gegroefde gelaat was geen greintje emotie te bespeuren. “Als we iedere bedelaar met een zielig verhaal benzine moesten geven, hadden we aan het einde van de dag niets over.”

“Hier!” Susan sloeg een paar verfrommelde biljetten – het schamel restant van haar financiën – op de toonbank. Haar horloge volgde. “En deze! Bok op met je ‘bedelaar’! Ik moet naar Gennaro, dus als je m’n schoenen ook nog wil hebben, prima, maar geef me die verdomde brandstof!”

De oude man bekeek het horloge kalmpjes. “Die kunnen we niet aannemen. Cash of creditcard, staat duidelijk op de deur.”

Hij wees naar de glazen deur, die net op dat moment met een irritant vrolijk geklingel openging. Een tanige vrouw met donker geverfd haar en spijkerjack – Susan schatte haar eind 50 – stapte het tankstation binnen.

“Middag,” zei ze. “Dat is jouw Buick buiten? Sorry, maar je blokkeert de pomp.”

“Mevrouw kan niet betalen,” zei de pompbediende droogjes.

“Creditcard kwijt,” mompelde Susan.

“Hmm… welke kant ga je op?”

“Gennaro. Hoezo?”

“Mevrouw gaat nergens heen, want mevrouw kan geen benzine-”

“Ja, dat was me al duidelijk, dank je,” onderbrak de tanige vrouw de pompbediende. Susan voelde haar waardering voor de vreemde groeien. “Oké, luister,” de vrouw richtte zich nu tot Susan, met een verontschuldigende glimlach. “Ik moet ook naar Gennaro, of eigenlijk nog iets daarvoor. Mijn auto vertoont echter wat kuren, en ik riskeer het liever niet om midden op de weg stil te komen staan met pech.”

“U kunt hier een garage bellen,” probeerde de pompbediende behulpzaam te zijn, maar de vrouw wuifde zijn suggestie weg.

“Er is haast bij, zie je. Een bruiloft. Nichtje van me. Wat nou als ik je benzine betaal, en jij mij een lift geeft?”

“Naar Gennaro?”

“Red Brook. Klein gehucht, net een paar mijl voor Gennaro. Hoeveel heb je nodig?”

“Ehmm… 20 dollar moet genoeg zijn, maar ik- oh… wauw…” Susan knipperde met haar ogen toen de vrouw een paar biljetten op de toonbank legde. “Ik weet niet wat ik moet zeggen. Dankjewel.”

“Bedank me maar door me naar Red Brook te brengen.” De vrouw grijnsde, en stak haar hand uit. Susan nam die gretig aan. “Susan Bravado,” zei ze.

“Dani,” antwoordde de vrouw. “Dani Ransom.”

*

Enkele mijlen voorbij het knooppunt hield Ramscap halt bij een uitzichtpunt: een langgerekte vlakte, bezaaid met picknicktafels, aan de ene kant begrensd door de doorgaande weg, aan de andere kant door een afgrond.

Waarom hij dat deed kon hij niet goed verklaren. Iedere rationele gedachte in zijn hoofd vertelde hem dat hij door moest rijden, haast moest maken, als hij hoopte zijn prooi nog in te halen.

Toch bracht zijn instinct hem ertoe te stoppen bij het uitzichtpunt. In de afgelopen decennia had Ramscap geleerd naar zijn instinct te luisteren.

Er was slechts één andere auto, toebehorend aan een familie die stelling had ingenomen rondom een picknicktafel. Ramscap parkeerde zijn pick-up op een afstandje en liep naar een informatiebord. Terwijl hij pretendeerde te lezen over de flora en fauna die op de vlaktes beneden hem te zien zouden moeten zijn, zocht hij met geoefende blik de parkeerplaats af naar iets dat kon verklaren waarom zijn instinct zo op hol was geslagen.

Daar: bandensporen. Stank.

Wat hebben we hier?

Er had overduidelijk een auto gestaan, nog niet zo lang geleden. En die auto was met volle vaart weggescheurd, gezien hoe diep de bandensporen in de droge aarde stonden. Maar dat was niet wat Ramscap interesseerde.

“Oh, Jezus nog aan toe…”

Voorzichtig daalde de man af aan de andere kant van het uitzichtpunt, waar de parkeerplaats eindigde in een dichtbegroeide helling naar beneden. Anderhalve meter lager lag het: een tweede huls, droger en beter bewaard dan de vorige.

Jarenlange ervaring kon voorkomen dat Ramscaps maag zich leegde bij het zien van de slaphangende huid, uitgevallen haren en uitgelopen oogballen van de jongen.

Nog geen achttien jaar oud, dacht Ramscap, en hij liet een grom ontsnappen. Een jongen op reis, het Amerikaanse avontuur in. Gereduceerd tot een hol karkas door een wezen dat zijn moordlust niet kan beteugelen.

Nog een meter of tien lager zag Ramscap in het struikgewas een motor liggen. Hij ploeterde er naartoe, zichzelf aan stronken en stenen vasthoudend om niet door de vegetatie het ravijn in te glijden.

Halverwege moest hij stoppen. Een hoestbui overviel hem, en aan het einde ervan moest hij bloed van zijn lippen vegen.

Niet eens de eerste keer deze week, dacht hij weemoedig. Hoe lang nog? Een jaar? Zes maanden? Minder?

Hij zette de gedachte van zich af. Denken aan sterven kon altijd nog: nu was er werk aan de winkel. Hij hervatte zijn afdaling naar het achtergelaten vervoersmiddel.

De motor leek nog te werken, maar droeg duidelijke sporen van geweld: deuken, krassen, verbogen metaal. In zijn hoofd probeerde Ramscap de tijdlijn op te stellen.

Het wezen kwam hier, in de vorm van een jongen op een motor. Hij ontmoette een nieuw slachtoffer en nam diens vorm aan. Een tweede metamorfose, in korte tijd… waarom?

“Omdat hij weet dat we hem opjagen.”

Ja, dat paste. Het wezen kwam uit het westen, en was tot voorbij het knooppunt gereden. Daar had het zich een nieuwe gedaante en een nieuw vervoersmiddel aangemeten. Om terug te gaan naar het knooppunt, en de achtervolging af te schudden. Door naar het zuiden te gaan.

Goed dat we met z’n tweeën zijn.

Ramscap ploeterde weer omhoog. Op de parkeerplaats, half verborgen onder opgespat grind, vond hij het rijbewijs, ongetwijfeld aan het nieuwste slachtoffer ontsnapt tijdens de worsteling.

“Yes.”

Dank voor je slordigheid. Nu heb je een naam en een gezicht, kreng. En als je maar lang genoeg in deze gedaante blijft, vinden Bonafide en ik je wel.

Ramscap klom verder omhoog, de parkeerplaats op, en hervatte de jacht. Op ene Dani Ransom.

*

“Donker haar, eind vijftig, zo lang?”

Bernard Bonafide hield zijn vlakke hand op schouderhoogte, om de zuur ogende man aan de andere kant van de toonbank een idee te geven van de vrouw die hij zocht. “Heb je haar gezien?”

De pompbediende haalde zijn schouders op. “Ik zie zoveel klanten. Kan het allemaal niet meer bijhouden.”

Bernard trok een wenkbrauw op, en wierp een veelbetekenende blik op de winkel. Naast een oud vrouwtje dat door een gangpad schuifelde, hoorbaar op zoek naar melk (“Melk, melk,” mompelde ze) en hijzelf waren er geen klanten in het tankstation. Bonafide vermoedde dat dat hier de standaard was, ongeacht het tijdstip.

“Toch zou ik het waarderen als je een poging deed je deze vrouw te herinneren.” Bonafide glimlachte, en liet een biljet over de toonbank glijden. “Ik zou het zeer waarderen.”

De pompbediende knikte, en nam het biljet aan. “Een vrouw,” zei hij. “Lang, donker haar? Midden vijftig?”

“Eind vijftig.”

“Ja, ik herinner me haar.”

“En?”

“En wat?”

“En wat kun je over haar vertellen?”

“Waarom zou ik je iets over haar vertellen?”

Bonafide staarde hem aan. “Luister vriend, volgens mij weet je niet helemaal hoe onze economie werkt. Ik heb je net een tientje toegeschoven. Vervolgens vertel jij me alles wat je weet.”

“Nee, jij hebt net een tientje verspild. En ik heb je vraag beantwoord. Anders nog iets?”

Bernard ‘Bonafide’ Jenkins was een grote, aimabele man. Met zijn lange, brede postuur en vriendelijke, open gezicht leek hij op je favoriete oom of sympathieke football coach. Voeg daar Bernards witte jas, Stetson hoed en bolo das aan toe, en het beeld van de hartelijke Westerner is compleet. Iemand met wie je een paar blikken bier achterover kunt slaan, die alles weet van auto’s en de sportcompetities, die met een vriendelijke lach en een knipoog door het leven gaat. Niet iemand die bijzonder gevaarlijk is.

Bonafide verraste mensen.

Met een vliegensvlugge beweging trok hij de pompbediende over de toonbank naar zich toe. De pompbediende haalde paniekerig uit, maar Bonafide sloeg diens hand neer.

“Oké, luister goed-”

“Grgh-”

“Zeer eloquent. Luister! Ik kan nog heel wat meer druk toepassen als ik wil, dus is het aan jou om me te overtuigen dat niet te doen. Ik stelde je wat vragen, en ik verwacht antwoord te krijgen. Normaal gesproken ben ik wat vriendelijker, wat geduldiger in mijn ondervragingen, maar de tijd staat me niet toe mijn joviale zelf te zijn. Er staan levens op het spel, levens die ik probeer te redden, en daar ga jij met je zure kop niet tussenkomen. Comprende?”

De zure kop knikte.

“Mooi. Dan vraag ik het nog een keer: wat weet je over die vrouw? Wanneer was ze hier? Wat wilde ze? Met wie sprak ze? Waar is ze nu?”

“Ik ehm… ze kwam hier… twintig – dertig? – dertig minuten geleden. Autopech.”

Bonafide keek over zijn schouder naar de parkeerplaats.

“Staat haar wagen er nog?”

De pompbediende knikte, voor zover Bonafide dat toestond .“De beige Chrysler.”

“Wat is er mis mee?”

“Geen idee. Ze- ze wilde geen garage bellen. Ging mee met een vrouw. Een jongedame, zonder geld voor benzine. Zij schoot voor. Zeg, kun je misschien iets-”

“Ze ging met haar mee? Kende ze haar?”

De man schudde van niet. “Een lift, in ruil voor benzine.”

“Waarheen?”

“Ehm…”

Bonafide voerde de druk op.

“Gennaro! Red Brook!”

“Gennaro Red Brook?”

“Red Brook, net voor Gennaro. Ten zuiden van hier.”

“En de vrouw die haar meenam?”

“Sarah? Nee, Susan. Geloof ik. Jong, begin twintig. Blond. Arrogante houding van hier tot Tokyo. Lichtblauwe Buick.”

“Perfect.” Bonafide liet de man los, wachtte tot die overeind kwam, en klopte vervolgens diens schouders af. “Zo, was dat nu zo moeilijk?”

De pompbediende zei niets.

“Ik ga die auto bekijken,” deelde Bonafide mee, “en jij blijft hier je klanten bedienen. Mocht ik nog meer vragen bedenken, dan kom ik weer even binnenwippen. Wellicht dat een volgende ondervraging wat soepeler kan verlopen?”

Wederom geen reactie.

Bonafide stak glimlachend zijn duim omhoog en beende de winkel uit.

De Chrysler wist hem weinig te vertellen: een tamelijk nieuw model, maar veel gebruikt en slecht onderhouden, met een kofferbak vol lappendekens, een dennengeur-luchtverfrisser aan de achteruitkijkspiegel en een half-leeggegeten zakje chips in het dashboardkastje.

Memorabilia van de arme vrouw die ooit deze auto bestuurd had. Over het wezen dat nu haar lichaam bewoonde vertelden de objecten echter weinig.

Een blik onder de motorkap leerde hem dat het de auto geheel ontbrak aan enige vorm van autopech. En, bovendien, aan een huls.

“Verdomme, Ramscap, ze is weer gewisseld. Niet van gedaante, maar van vervoer. Over.”

Bonafide zat nu in zijn eigen wagen, een groen-en-witte Lincoln Continental. Vanuit de voorruit hield hij de winkel in de gaten, en dan met name de zuurpruim. Hij leek Bonafide wel het type om de politie te bellen en te klagen over ongewenst agressief gedrag van zijn klanten.

“Wat bedoel je, van vervoer? Over.”

“Ze heeft haar bak achtergelaten, zogenaamd vanwege pech. Maar met de auto lijkt niets mis. In plaats daarvan rijdt ze nu met een jonge vrouw mee, ene Susan, die haar een lift aanbood in ruil voor benzinegeld. Over.”

“Een lift? Geen wissel?”

Bonafide knikte. “Het lijkt erop dat de twee samen onderweg zijn, zuidwaarts. Plaatsje genaamd Red Brook.”

Aan de andere kant bleef het stil. “Ramscap?”

“Dus hij neemt twee keer, in korte tijd, een nieuwe gedaante aan. Hij weet dat we ‘m op de hielen zitten. En toch wisselt hij niet van richting. Oh, godver…”

“Wat is er?”

“Hij wisselt niet van richting, omdat het dáár gaat gebeuren. In Red Brook. En wat hij ook in de planning heeft staan, het zal een heel stuk spectaculairder zijn dan het ombrengen van individuele reizigers.”

“Oké,” Bonafide greep de versnellingspook. “Naar Red Brook, wat daar dan ook-”

Tik, tik, tik.

De oude vrouw uit het tankstation. Bonafide wilde al zeggen dat hij geen melk voor haar had, maar iets in haar blik hield hem tegen.

“Mevrouw? Kan ik u helpen?”

“Ik hoorde je met die vriendelijke pompbediende praten” – ze leek niet sarcastisch – “en ik hoorde dat je naar iemand op zoek bent? In Red Brook?”

Bonafide knikte. “De vrouw naar wie ik vroeg, heeft u haar gezien?”

Ze schudde haar hoofd. “Maar ik weet waar ze heengaan. De enige reden waarom wie dan ook naar Red Brook gaat.”

Ze boog voorover, en bood Bonafide uitzicht op haar gelige grijns. “Ken je Big Cans?”

Big Cans was een van Amerika’s vele roadside attractions. Met zo’n naam trok de plaats nogal eens groepen hormonale jongeren, die er vervolgens achter kwamen dat de ‘Cans’ eerder letterlijk dan metaforisch bedoeld waren.

Een kaartje kostte drie dollar vijftig, en bij die prijs zat niet alleen inbegrepen dat je rondom de enorme blikken Blue Ribbon, Kool-Aid en Budweiser mocht lopen, maar ook dat je middels een wenteltrap om de hoogste van de blikken, een vijfendertig meter hoge cilinder met “Coca-Cola” erop, omhoog kon klauteren, om vervolgens via het lipje op het dak af te dalen naar Amerika’s enige – beweerde men bij Big Cans althans – blikkenmuseum.

De meeste bezoekers brachten maar korte tijd door in het museum – een collectie van feiten en foto’s en kilometers stoffige blikjes – en gaven er de voorkeur aan de met parasols beschutte grasmat bovenop het colablik te bezetten voor een picknick met uitzicht over de woestijn.

Big Cans moest het, zoals alle attracties langs de Amerikaanse highways, met name hebben van die doortrekkende gezinnen, veelal onderweg van en naar een vakantiebestemming. Het gros van de jaarlijkse bezoekers was in de afgelopen maanden al langsgekomen, maar op deze zaterdagmiddag in september bleken er nog genoeg nomaden binnen te druppelen. Vanaf het dak van het colablik steeg het rumoer op van vaders en moeders en hun voor een half uur geamuseerde kroost.

Om half vier ’s middags reed Dani Ransom de oprijlaan van Big Cans op in een blauwe Buick. Haar zonnebril verhulde een blauw oog, maar niet de grijns waarmee ze de kassamedewerker begroette.

“Kaartje voor één, alstublieft.”

*

“Drie dollar vijftig,” gromde Ramscap, “voor deze onzin.”

“De Amerikaanse spirit, makker,” zei Bonafide. “Houdt de economische motor gesmeerd.”

“Hé, als Jim en Judy Suburb hun kleine rakkers willen verblijden met een close-up kennismaking met een product dat ze evengoed in de koelkast kunnen vinden, prima, maar ik ben twee nullen verwijderd van faillissement. Ik betaal liever niet meer dan nodig voor het privilege een Budweiserblik te beklimmen.”

Dat was het probleem met het opsporen van nachtmerries die rechtstreeks ontsproten waren uit de genius loci van Amerikaanse wegen: de overgrote meerderheid van de bevolking geloofde er geen snars van. En zelfs degenen die dat wel deden, hadden er zelden een financiële bijdrage voor over.

“Vader Ignatius heeft misschien geld voor ons,” opperde Bonafide.

“Vader Ignatius is belast met vijf parochies, en geen daarvan verkeert in goede financiële staat.”

“Dan wordt het misschien weer tijd voor wat… creatief lenen?”

Ramscap lachte en klopte zijn kompaan op de schouder. “Eens een oplichter, altijd een oplichter, nietwaar? Maar we verspillen onze tijd. We moeten onze prooi zoeken.”

“Je weet zeker dat ze hier is?”

“Ze is hier geweest, dat voel ik. En ik voel dat het hier gaat gebeuren. Dit is de plek van het offer.”

“Maar wie dan?” Bonafide keek om zich heen naar de aluminium cilinders. “En hoe? Een wegmerrie kiest zijn slachtoffers doorgaans op de weg zelf, en offert ze door een ongeluk. Hoe zie je dat hier gebeuren?”

Ramscap schudde zijn hoofd. “Dat weet ik niet. Maar het is geen toeval dat het deze locatie gekozen heeft. Zoveel mensen bij elkaar… de wegmerrie is uit op een massaal offer, dat kan niet anders.”

“Bovenop de Big Can?”

De indiaan knikte. “Een terras, met maar één toegang. Als er ergens iets gaat gebeuren is het daar.”

“Ik denk,” zei Bonafide, “dat we van het uitzicht moeten gaan genieten.”

*

Zeke Ordnance moest toegeven dat het uitzicht vanaf het grootste colablikje ter wereld niet tegenviel.

Hij doelde daarbij niet op de dorre woestijngrond die aan alle kanten om het afgesloten terrein heen lag. Hij kende mooiere plekken van de woestijn, en mooiere plekken om ze te bekijken.

Nee, het was hem meer te doen om de jonge moeders die op het circulair terras van een dagje uit met hun gezin genoten.

Vijf maanden deze zelfde saaie route dacht hij, en onderweg nauwelijks ergens een scharrel om op te pikken. Als ik nog lang droogsta, word ik gillend gek. Een van de moeders in zijn vizier boog voorover om iets uit een koeltas te pakken, en Zeke zuchtte gefrustreerd toen twee mannen voor zijn blikveld liepen en het zicht op het in spijkerstof gehulde achterwerk blokkeerden.

Een indiaan en een cowboy, dacht hij, terwijl hij de mannen met een frons bekeek. Wat krijgen we nu, de middagshow?

Zijn aandacht voor de twee vreemdelingen werd echter tenietgedaan door het piepen van zijn digitaal horloge. De timer die hij gezet had – een half uurtje, precies genoeg om wat te roken, te pissen en van het uitzicht op de Big Cans te genieten – liet hem weten dat het tijd werd zijn truck weer op te zoeken.

Net zoals de vorige keren dat hij de Cans bezocht, had Zeke zijn truck – een Ford Tank Truck, tot de nok toe gevuld met diesel – even buiten het terrein moeten parkeren. Het wandelingetje heen en weer vond hij echter een prima gelegenheid om zijn benen te strekken.

Met een boer kwam Zeke van zijn bankje, en tikte het alarm van zijn horloge uit. Met een laatste weemoedige blik in de rondte nam hij afscheid van het vrouwelijk schoon. Om zijn ogen tenslotte te laten rusten op de bekende vormen van zijn Ford tankwagen.

Die in volle vaart op de Big Cans afreed.

“Hé!”

*

Hangend aan een koord, vijf meter boven de vloer van de circulaire bioscoop op de begane grond van het Big Cans museum, telde Susan Bravado haar ongeluk bij elkaar op.

Eerst krijg ik te horen dat de baan een dag eerder begint, en moet ik vijfhonderd mijl in één dag zien af te leggen. Boven haar maakte het touw een krakend geluid. Natuurlijk vergeet ik mijn portemonnee in het motel, en moet ik bedelen om benzine. Gelukkig is er een vriendelijke mevrouw die wel benzine wil betalen, als ik haar een lift geef. En wat is er op tegen om een aardige mevrouw een lift te geven?

Een steek ging door haar nek en schouder, het resultaat van achtereenvolgens buiten bewustzijn geschopt worden, opgevouwen in een kofferbak liggen, en aan je armen aan een touw aan het plafond opgehangen worden.

Natuurlijk bleek die aardige mevrouw helemaal niet zo aardig, en nu moet ik die inschattingsfout bekopen met, jawel, dood door verveling.

Ze hing er al een halfuur, en haar armen werden gevoelloos door haar eigen gewicht. De verlammende angst die ze oorspronkelijk had gevoeld toen ze bungelend wakker was geworden, was onder het gebrek aan gebeurtenissen vervaagd tot rationele angst, vervolgens onrust, en had ten slotte geheel plaatsgemaakt voor andere emoties. Frustratie, honger, zelfs slaperigheid.

Aanvankelijk had ze nog hoop gehad dat een verdwaalde bezoeker van het museum haar zou zien hangen. Door de continu herhalende 10-minuten durende film over de historie van blik – jawel, blik – die achter haar op het grote scherm geprojecteerd was, wist Susan dat het museum open was. Maar toch kwam er niemand. Had de vrouw, Dani Ransom, de deuren gesloten? En waar was zij eigenlijk? Susan had al meerdere malen gepoogd aan het koord te draaien en de hele bioscoopzaal rond te kijken. Steeds ontbrak ieder spoor van de vrouw die haar gekneveld had.

Er kwam geen hulp, en erom roepen was door de lap stof in haar mond geen optie. Dus kon ze alleen maar wachten tot de vrouw terugkwam, om haar in reepjes te snijden of wat dan ook, of ze kon het heft in eigen handen nemen.

Het duurde even, en de zwaaiende bewegingen pijnigden haar polsen, maar uiteindelijk wist ze haar rechtervoet naar haar handen te tillen en een stiletto uit haar laars te vissen.

Ik had hem moeten slijpen, dacht ze chagrijnig bij het zien van het uitgeklapte lemmet.

Met zorgvuldige bewegingen begon ze het botte mes over het stugge touw te schrapen.

Ze had al een paar taaie vezels door toen de tankwagen met veel bombarie het museum binnenreed.

*

KRANG!

Een schok ging door het stalen complex heen, en nog voor de trilling stopte, stonden de eerste ramptoeristen over de reling naar beneden te turen.

Er klonk een knal, een doffe woef, en het geschreeuw begon.

“Brand!” Brand!”

“Een truck staat in de fik!”

“Bel de brandweer!”

“We moeten hier weg!”

“Oh, verdomme,” gromde Ramscap, die naast zijn kameraad over de reling naar beneden staarde, en zag hoe de tankwagen zich het colablik in had geboord. En begon te branden.

Ramscap wees. “Precies door de wenteltrap, zie je? Wordt een knap lastig karwei om daar naar beneden te gaan.”

Bonafide trok een grimas. “De wegmerrie… kolere, Ramscap, ze heeft ons in een val gelokt!”

“Ons en nog vele anderen. Het lijkt erop dat we deel gaan uitmaken van haar massa-offer.”

Ze keken om zich heen. Het nieuws dat het terras bovenop het blik niet bepaald veilig meer was had inmiddels iedereen bereikt, en een stormloop op de wenteltrap was begonnen.

“Die dwazen gaan er halverwege achter komen dat de weg omlaag geblokkeerd is,” kreunde Bonafide, en beende over het terras. Hij keek het trappengat in, naar de toegang tot het museum. Enkele ondernemende zielen stonden al aan de dubbele deuren te trekken.

“Die heeft ze ook geblokkeerd.” De lijvige Texaan schudde zijn hoofd. “Maar dat maakt niet uit, want die truck blokkeert beneden ook de nooduitgang. We zitten vast.”

Diezelfde conclusie had ook de mensen bereikt die via de wenteltrap naar beneden waren gestoven. Kreten van paniek stegen langs de snel opwarmende wanden van het blik op.

Ramscap hurkte, en uit zijn rugzak haalde hij een opgerold stuk touw. “Ik denk dat we dit wel kunnen gebruiken, wat jij?”

*

“Kom op, vorm een rij!”

“Kinderen eerst, dan vrouwen, dan mannen-”

“Hé, wat zeggen we net? Achteruit, kerel!”

“Doorlopen, niet blijven hangen!”

“Mevrouw, loodst u die kinderen hiervandaan?”

Langzaam begon er orde te komen in een chaotische situatie. Bonafide was als eerste langs het touw omlaag gegleden, zo laag bij de grond als de brandende truck toeliet. Ramscap bleef boven en herinnerde iedereen vriendelijk aan de regels. Eén man had voor willen dringen en keek nu met een bloedneus toe hoe de indiaan samen met enkele ouders de kinderen naar beneden hielp.

“Naar beneden, laat jezelf losmaken, en loop naar dat blikje Kool-Aid,” herhaalde Ramscap zijn instructies voor de tiende keer, voordat hij het kind naar beneden liet.

Het voltallige personeel van het Big Cans-museum – een puistige puber en een vrouw van middelbare leeftijd – waren aan komen snellen met een tweede rol touw, en even boven Ramscap waren twee vaders bezig om er een tweede reddingslijn mee te knopen.

Maar toch… de truck brandde door, en er steeg angstwekkend veel rook omhoog uit de wagen en de begane grond van het blikkenmuseum.

Ramscap dacht er niet graag aan wat er zou gebeuren als de tankwagen ineens tot ontploffing zou komen.

“Kom op!” snauwde hij naar beneden. “Meer touw!”

*

“Verdomme,” hijgde Bonafide, “die kan ik wel weggooien.”

Ramscap keek naar de hoed van zijn kameraad: doordrenkt met zweet en geblakerd door roet.

“Ga ermee rond langs de overlevenden,” stelde Ramscap voor. “Wellicht zamel je genoeg in voor een nieuw exemplaar.”

“Grapjas,” morde Bonafide. Evenwel verscheen er een tevreden glimlach op zijn gezicht bij het zien van de drommen mensen die nu door de medewerkers het terrein af werden geloodst.

“Het is ons gelukt.” De woorden ontsnapten aan Ramscaps lippen, ietwat ongelovig. “De wegmerrie zit daarbinnen, wij buiten. Geen slachtoffers, en wij kijken toe hoe het zichzelf uitbrandt.”

Bonafide knikte. Drie seconden lang staarden de twee mannen in vriendschappelijke stilte naar het vergaan van Biggest Can.

In die drie seconden maakten hun gezichtsuitdrukkingen exact dezelfde transformaties door: van een tevreden glimlach via een bedachtzame blik naar een verwarde frons en, tenslotte, naar een geschrokken grimas.

Ze keken elkaar aan.

“De andere vrouw!”

“Susan!”

Ze keken weer naar het brandende blik, en zeiden, in koor: “Verdomme!”

*

Als ik mijn portemonnee niet kwijt was geraakt, dacht Susan Bravado, bungelend in de bittere rook, was ik nooit in de klauwen van dit wicht terechtgekomen.

Het wicht in kwestie zat nu ergens in de rokerige ruimte. Zodra de truck met geweld door de muur geramd kwam, had Susan gezien hoe de gedaante van Dani Ransom uit de gehavende cabine kroop. Daarna was ze de vrouw even uit het oog verloren, totdat ze zag hoe ze bovenin de lichtinstallaties klauterde, deels verhuld door de rook. Een vreemd, sissend geluid ontsnapte aan de vrouw toen ze oogcontact maakte met Susan, en haar ontblote tanden leken te klein, te puntig om die van een mens te zijn. Susan had gehuiverd en haar ogen afgewend.

Hallucinaties, dacht ze, terwijl ze in de kringelende rook aan het koord deinde. Angst. Je beeldt je dingen in.

Inmiddels likten de vlammen gretig in het rond, en al wat ze raakten stond binnen luttele seconden in brand. De eerste vlammen liepen al omhoog naar het plafond, en het schijnsel van de film die achter Susans rug nog steeds doordramde over het belang van goed uitgelijnde bliksnijders wierp een vreemde, witgrijze waas over de rokerige vlammenzee.

Susan had gehoopt dat een losgeslagen vlam inmiddels haar koord wel had doorgebrand, maar in dat opzicht liet het vuur haar in de steek. Bovendien zou ze dan nog steeds vijf meter naar beneden vallen, tussen de gloeiende stoelen, om het – slechts gewapend met haar botte mes – tegen de verrassend sterke Dani Ransom op te nemen. Een andere kans op ontsnapping leek er echter niet te zijn.

Wacht tot ze afgeleid is. En dan snijd je de laatste strengen door.

Een snauwend, snerpend geluid klonk vanaf de vloer. Susan keek angstig naar beneden, en verwachtte ieder moment de doorgedraaide liftster op haar af te zien springen.

Maar naar het bleek had Dani Ransom andere zaken aan haar hoofd.

Perfect, dacht Susan, en hervatte het snijwerk.

*

Door de rook dook Bonafide naar binnen, het blik in, met een juten zak in zijn rechterhand. De rook prikte in zijn ogen en de vlammen zorgden voor een bijna ondraaglijke hitte.

Dit houd ik niet lang vol. Zodra hij aan de truck voorbij was geschuifeld, cirkelde hij langs de muur aan de rechterkant, waar de vlammen om de een of andere reden minder huis hielden, op zoek naar een plek waar hij enigszins door de rook heen kon kijken.

De vrouw vinden bleek niet zo moeilijk: een blonde vrouw in spijkerjack bungelde aan haar polsen op vier, vijf meter hoogte.

“SUSAN!” riep Bonafide, en hij wist dat hij daarmee de aandacht van een geheel ander wezen zou trekken.

Leid haar af,” had Ramscap gezegd, terwijl hij buiten het blik zijn ritueel met geoefende bewegingen opstartte. “Leid haar af, maar laat je niet grijpen. Als het te gevaarlijk word, kom je naar buiten.”

Naar buiten? En de vrouw dan?”

Daar bekommer ik me wel om.”

Bonafide schudde zijn hoofd. Als Ramscap geheimzinnig deed, wist je dat hij iets ging uithalen waar je het principieel mee oneens was. Helaas had Bonafide geen tijd om te bedenken wat.

Het sissende geluid kwam van rechts. Bonafide draaide snel, maar niet snel genoeg. De klap trof hem in de borst en hij viel achterover op een van de harde houten bioscoopstoelen.

Bovenop de stoel voor hem zat ze, balancerend op de rand met haar knieën opgetrokken, als een groteske waterspuwer.

Dani Ransom had weinig menselijks meer: haar haren hingen als donkere gordijnen aan weerszijden van haar verlengde gelaat, en de tanden in haar grijns waren te klein, te vlijmscherp om die van een mens te zijn. Bonafide wist dat ze, als ze sprak, een tweede rij tanden zou onthullen, nog kleiner, nog scherper dan de eerste.

Haar ogen waren echter het ergst. Putten in haar gelaat, met daarachter donkere vlekken waar een constante beweging in zat, als asfalt dat onder je wielen voorbij raast.

Die groteske parodieën op ogen keken Bonafide aan. “Wel, wel,” gromde het wezen. “Bemoeial nummer één.”

“Ik kom een vriendin van me ophalen”, zei Bonafide kalm, terwijl zijn vingers de rand van zijn juten zak vonden. “Jong, blond, bungelt aan een touw?”

De wegmerrie lachte, en een straal amberkleurige vloeistof liep over haar kin naar beneden.

“Een vriendin? Mijn offer, zul je bedoelen. Dus je doorzag m’n list? Slim, maar nu heb je er alleen voor gezorgd dat ik een medicijnman aan mijn prijs mag toevoegen.”

Ze denkt dat ik Ramscap ben, besefte Bonafide. Perfect.

Het wezen boog zich over hem heen, en Bonafide kon de teer in haar adem ruiken.

“Een kans om me van de bemoeizuchtige medicijnman te ontdoen… en me ervan te verzekeren dat mijn soortgenoten voortaan ongestoord hun gang kunnen gaan…”

Bonafide hield de zak voor zich uit, één hand erin gestoken.

De wegmerrie kakelde. “Wat dacht je daarmee te doen? Een gebed uitspreken? Me met een zandtekening uitbannen?”

“Ik dacht aan iets efficiënters,” zei Bonafide.

BLAM!

De metalen hagel reet de juten zak uiteen, en een wolk hagel onttrok de achterover gevallen wegmerrie aan het zicht. Bonafide stond op en klauterde over de stoelen voor hem, terwijl hij de shotgun met afgezaagde loop uit de doorzeefde zak trok.

Waar is ze?

Het wezen sprong van links.

“STERF!” krijste de wegmerrie. Bonafide richtte zich grommend tot het monster.

Ramscap, waar blijf je met je ritueel?

*

Ze was te laat. Dat besef kwam tot Susan, hangend in de rook, toen ze de hoestbuien niet meer tegen kon houden. Haar lichaam leek op automatische reacties over te gaan, en haar gedachten werden traag en verward.

Onder haar was een gevecht bezig. Geschreeuw. Schoten. Iets over een offer. Het leek allemaal onbelangrijk.

Adem de rook in, leek een deel van haar geest te suggereren. Laat het toe.

“Bok op,” gromde ze. Of wilde ze grommen. Het kwam eruit als een astmatisch gerochel.

Nee? Nog geen zin om op te geven? Mooi zo.

Vreemd. Dát was niet haar stem.

Inderdaad. De mannenstem lachte, warm en diep. Ik ben op bezoek. Ik hoop dat je dat niet erg vindt.

“Ik ijl,” mompelde Susan door de lap stof. “Misschien ben ik al dood.”

Nog niet. Maar lang zal het niet meer duren.

Van boven kwam een krakend, kreunend geluid. Het plafond, besefte ze.

Tenzij, zei de warme stem, je precies doet wat ik zeg.

*

Bonafide verloor bloed uit drie afzonderlijke wonden. Een ervan zou zijn dood worden, als hij er niet snel iets aan deed. Hij voelde er weinig van.

Jezus, ze is sterk!

De wegmerrie haalde opnieuw uit, een backhand met rechts, en Bonafide kon niet op tijd uitwijken. “Oef!”

Zijn schouder voelde verdoofd, en hij kreeg het wapen nauwelijks opgetild. Steeds verder dreef de wegmerrie hem achteruit, richting de brandende truck, en Bonafide kon weinig meer doen dan de zwiepende klauwen proberen te ontwijken.

Als die verdomde Ramscap niet heel snel-

“Bonafide! Nu, terug!”

Perfect. Hij manoeuvreerde de shotgun tussen zichzelf en de naderende wegmerrie, wachtte tot haar groteske gedaante dichtbij genoeg was, en vuurde zijn laatste kogel.

BLAM!

Met een klap werd de wegmerrie teruggedreven, en Bonafide zag goedkeurend toe hoe haar borstkas in repen huid en vlees naar beneden hing. Het wezen zou er niet aan doodgaan, maar het voelde goed om het tenminste zoveel mogelijk te pijnigen voor wat ze wilde doen.

“Daarvoor,” siste de wegmerrie, terwijl ze overeind krabbelde, “ga ik je je eigen testikels voeren, medicijnman.”

“Sorry,” hijgde hij. “Ik heb al een groot ontbijt gehad.”

Hij knikte haar toe, graaide in zijn binnenzak, en gooide een stungranaat de vlammen in die achter de wegmerrie dansten.

Toen de flits afnam en de wegmerrie zich met suizende oren begon te oriënteren, was er van Bonafide geen spoor meer te bekennen.

Ze snauwde, en richtte zich op de uitgang.

*

Nu, Susan Bravado!

Ze werd wakker in kleermakerszit, op een kleed in – dit was het verbazingwekkendst – de schone buitenlucht.

De man had haar verteld wat er zou gebeuren. Toch bleek ze er slecht op voorbereid.

Vanuit het enorme blik voor haar, waar de brandende truck doorheen was geramd, klonk een ijzingwekkende schreeuw.

Dani Ransom, dacht Susan verbeten, en ze kwam in beweging. Ze greep de twee potten voor haar, aarde en zout, en zag de tekening die de man in het zand gemaakt had: een weergave van het blik, van bovenaf gezien, en de cirkels eromheen om het kwaad in te sluiten. Er ontbrak slechts nog een handvol korrels in beide cirkels. Precies de ruimte die de medicijnman nodig had gehad om Susan naar buiten te halen.

Susan nam een snuf zout met haar linkerhand, aarde met haar rechter. En sloot de cirkels.

“Daar, teef.”

*

Bonafide strompelde naar buiten, gebukt om onder de vlammen door te komen die uit de truck omhoog sloegen. Zijn rechterbeen werkte niet mee, en hij viel tweemaal voorover in het zand.

Overeind, Bernard. Die wegmerrie wacht niet!

Achter zich haar hij haar gegil, woedend, moordlustig. Waarom had ze hem nog niet gegrepen?

Een gedaante dook voor hem op uit de rook. Ramscap?

“Ze… komt… eraan,” hijgde hij, voordat hij ineen stortte.

De gedaante boog zich over hem heen, en hij voelde hoe twee slanke armen hem overeind hielpen.

“Nee,” zei de jonge vrouw. “Ze komt er helemaal niet aan.”

En Bonafide wist wat Ramscap gedaan had. “Godverdomme,” gromde hij, en vocht tegen de tranen.

*

De wegmerrie beukte tegen de ijle lucht, keer op keer, maar de onzichtbare barrière hield haar tegen.

De medicijnman heeft de cirkel gesloten, besefte het wezen. Hij heeft zichzelf gered, en de vrouw aan haar lot overgelaten!

Het diepe gelach achter haar klonk gemeen, bijtend.

De wegmerrie nam drie stappen terug, en sprong. Ze klampte zich vast aan de gedaante die bungelde in het vuur, in de rook.

De gedaante die twee koppen groter en vele kilo’s zwaarder was geworden.

“Dwaas!” siste de wegmerrie de man toe. “Dacht je mij te dwarsbomen, door met haar van plaats te wisselen? Denk je dat het mij uitmaakt wie ik in mijn web heb?”

Ramscap grijns was verbeten van de pijn en de hitte, maar het was een grijns.

“Ik denk dat dat wel degelijk uitmaakt. Je zit hier, gevangen in je eigen val. En je wordt afgesloten van de donkere geest die je op onze aarde liet verschijnen.”

“Idioot, je kunt me niet tegenhouden! Ik ben Tijd, ik ben Vooruitgang! Ik ben de Zwarte Vlam die de Zon zal Verschroeien!”

“Nee, jij bent degene die zonder offer zal sterven.”

Haar ogen verwijdden zich. “Dan gebruik ik jou als offer!”

“Zo werkt het niet.” Zijn stem klonk zacht. “Een offer, vrijwillig gegeven, is altijd krachtiger dan een offer dat simpelweg wordt genomen. Maar dat is iets wat jij nooit zult begrijpen.”

Ramscap glimlachte en sloot zijn ogen. “Mijn ziel zal zich naar de Grote Geest verheffen. Maar jou, jou staat het Niets te wachten.”

De wegmerrie gilde, een ijzingwekkende schreeuw waarin al haar woede, frustratie, machteloosheid en angst verweven waren.

En toen kwam het dak naar beneden.

Bonafide moest het Susan Bravado nageven: ze pikte de terminologie snel op.

“En iedere keer als zo’n… wegmerrie… zich manifesteert, houden jullie het tegen?”

“Niet iedere keer.” Bonafide zuchtte. “Meestal is een wegmerrie maar enkele uren in onze wereld. Dan klampt ze zich vast aan een mens, of een machine, en veroorzaakt ze een ongeluk. Grofweg tien procent van alle dodelijke ongelukken op de weg,” voegde Bonafide er na een slok whisky aan toe. Het verband om zijn schouder trok en hij grimaste van de pijn. Hij was er slecht aan toe, maar hij zou het overleven. Dankzij Susan.

De vrouw had hem geholpen nadat hij half buiten bewustzijn door het bloedverlies het blik uit was gestrompeld. Ze had hem in haar auto geholpen, en was met hem naar het dichtstbijzijnde motel gereden. Daar had ze hem geholpen zijn wonden schoon te maken en te verbinden.

Ze waren niet blijven wachten bij het brandende blik, om van de brandweer te horen te krijgen dat er in de smeulende resten het stoffelijk overschot van een Indiaanse man was aangetroffen.

Bonafide wist zo ook wel dat zijn vriend er niet meer was.

“Maar als een wegmerrie meer dan een dag of twee in fysieke gedaante in onze wereld blijft,” ging Bonafide verder, “dan weten we dat het iets groots van plan is. Een massaal ongeluk. Een brand. Iets waar veel slachtoffers bij vallen. En dan kunnen we, als we geluk hebben, ingrijpen.”

Susan keek naar het glas in haar ingezwachtelde handen. Ze schonk zichzelf bij.

“Een wegmerrie,” zei ze. “Een monster dat opduikt, op bloed belust. En dat kan overal gebeuren…”

“Overal waar wegen zijn,” zei Bonafide zachtjes.

Ze keek hem aan. “Waarom? Hoe kan dit gebeuren?”

“Waarom?” de grote man snoof. “Omdat we het ernaar gemaakt hebben. Dat zei Ramscap altijd. We temden een land vol geesten, en verwisselden de tipi’s voor steen en staal. We maakten een netwerk van teer en asfalt en drukten de geest van het land weg. We verafgoodden de kooi die we van het land gemaakt hadden: billboards, motels, auto’s… alles in dienst van de Highway. Symbool van Amerikaanse vrijheid, van mogelijkheden.”

“Ramscap…” Susan haalde diep adem. “Hij offerde zich op. Voor mij. Als ik niet-”

“Mijn vriend,” onderbrak Bonafide haar, “maakte zijn eigen keuze. Een keuze die hij niet anders had kunnen maken, simpelweg door wie hij was. En jij en ik hoeven ons daar allebei niet schuldig om te voelen, mevrouw Bravado. Dat zou een belediging zijn aan zijn nagedachtenis. Denk je niet?”

Susan keek weg. De tranen brandden haar ooghoeken. Ze knikte.

“Goed,” Bonafide klonk nu vriendelijker. “Hij wilde dat je bleef leven, dus leef. Dat is de beste manier om hem te bedanken.” Hij zuchtte. “Maar ik zal hem missen. Godverdomme, wat zal ik hem missen.”

“Wat… wat ga je nu doen?”

“Eerst naar Mexico. Er is daar een pater die ons- die mij weer op m’n benen kan krijgen. Wat rust, wat geld, en dan opnieuw op pad. Op monsterjacht.”

Susan viel stil. Ze dacht aan de vrouw met de levendige ogen, die haar zo gemakkelijk bedrogen had. Aan hoe ze in een kofferbak was gesmeten, en opgehangen als een stuk vlees.

Miljoenen kilometers wegen in Amerika. Vol Susans, vol mannen, vrouwen, kinderen, nietsvermoedend op weg.

Met niemand om ze te beschermen.

“Naar Mexico, uitrusten, dan op jacht… Klinkt goed,” zei ze. Ze keek Bonafide in de ogen.

“Oh nee,” zei hij. “Nee, nee, nee.”

“Ramscap offerde zich op, zodat ik kon leven, nietwaar?”

“Dat is niet wat ik-”

“En de beste manier om hem te bedanken is door dat leven volop te leven, zoals ik dat wil?”

“Ja, maar-”

“Dus zat ik zo te denken,” zei Susan, met bliksem in haar ogen. “Dat ik het niemand gun dat die klootzakken hen van de weg plukken voor hun zieke spelletjes, zoals ze dat met mij deden. En je kunt me proberen tegen te houden, of je kunt me leren wat Ramscap jou leerde. Wat denk je dat hij gewild zou hebben?”

Bonafide hield haar blik lange tijd vast.

“Ik denk,” zei hij, en eindelijk brak een glimlach door, “dat jij het in je hebt om net zo’n rotzak te worden als hij.”

Hij overhandigde haar de fles whisky. Ze nam hem grijnzend aan. “Dus,” vroeg ze, “wanneer beginnen we?”

*

Zie je deze weg? Deze straal asfalt die de woestijn in tweeën snijdt? Waan je jezelf er veilig?

Ik weet wel beter. De weg is deel van het land geworden, en het land kent zo zijn geesten, zijn goden en demonen.

En net als iedere god en iedere demon is ook de weg eens in de zoveel tijd op een offer uit.

En dan komen wij in het spel.

EINDE

Wil je meer verhalen van TheWritingWouter lezen? De bundel Schemerwoorden bevat alle verhalen – van scifi tot fantasy, horror tot historische fictie – waarmee TheWritingWouter in de jaren 2017 en 2018 prijzen en hoge noteringen bij verhalenwedstrijden bemachtigde.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll to top